Thuis boeken schrijven
 

De Cadans

De cadans, soms een alles overstemmend gedreun, die een illusie opwekt van een onzichtbaar imposant mechanisch schouwspel, dat, haast onwaarschijnlijk, niets anders produceert dan beweging, bracht mij half in slaap terug naar mijn trieste, maar paradoxaal genoeg in mijn latere leven kracht gevende pubertijd. In die tijd reisde ik per trein naar school. De school was voor mij elke dag weer als een schier eindeloze tunnel, onverlicht en vol bochten, waar – op goede dagen – uit nissen en onverwachte of onzichtbare zij tunnels de daden van mijn mede scholieren als ijzige winden mijn gang vermoeilijkten, en mij vaak deden aarzelen of ik de goede tunnel wel gekozen had. Het enige moment van de dag dat ik me veilig voelde, dat ik me voor de kou beschermd voelde door een imposant mechanisme dat alle invloeden van buiten op magische wijze wist te weren, was in de trein van en naar huis. Het liefste zat ik voor of achter in de trein, boven de eerste of laatste wielen; daar waar de cadans een schier ondoordringbare bescherming vormde tegen een wereld die steeds weer probeerde me terug in de tunnel te drijven. Ook toen droomde ik weg bij de cadans. Niet lang nadat de rails werd gemoderniseerd, en de machtige, voor mij zo belangrijke en zo veel comfort biedende cadans plaats maakte voor een gemeen en soms angstig gesis, stiller, en het geluid van vooruitgang, verloor de trein voor mij het beschermende effect en verliet ik die school.

De cadans huppelde over een wissel in het spoor, en ik ontwaakte uit mijn droom. Buiten raasde een zandstorm. De kracht van de storm ging aan de inzittenden voorbij. Velen sliepen, of deden alsof. Een paar reizigers lazen. In de trein, waar de oude geel licht gevende lampen aan waren gegaan om de verduistering die de storm aan ons opdrong buiten te houden, hing een sfeer alsof je op de zolder van een overleden grootouder lang niet gebruikte boeken aan het doorbladeren bent, op zoek naar jouw deel van de erfenis. Het was stil, zwak verlicht, en ondanks de extra verdichte ramen kwam er een fijn soort stof binnen waarvan de aanwezigheid alleen wordt opgemerkt door de neus.

De cadans hervatte na de wissel zijn ritme alsof er niets gebeurd was; zonder verontschuldiging voor de onderbreking, en met een stelligheid alsof er zoiets nooit weer zou gebeuren. Zoals op elk oud spoor, waar de spoorstaven nog niet met een moderne las techniek tot één zijn gesmeed, heeft de cadans de macht gedachten weg te dragen zoals radio golven de menselijke stem naar mysterieus verre oorden kunnen brengen, onzichtbaar voort snellend van einder naar einder.

De cadans leek één van mijn reisgenoten totaal te ontgaan. Het was een zwart bebaarde man met een bruin gezicht als was het gezandstraald; ruig, gehard, en tegelijkertijd gelijkmatig en een ongeëvenaarde zachtaardigheid uitstralend. Deze man was gefixeerd op wat er buiten gaande was. Met toegeknepen ogen tuurde hij door het raam. De verlichting binnen, en de schemering buiten maakte dat de ramen een dubbel beeld gaven; één van dat wat binnen te zien was, één van dat van buiten. Beide beelden leken op het eerste gezicht statisch. Het spiegelbeeld van binnen werd enigszins verstoord door onregelmatigheden in het glas. Zo leek de man tegenover mij – een welgebouwde en rijkelijk geklede man die in Europa het stempel 'crimineel' zou krijgen – afwisselend een hele dikke neus of de bof te hebben, afhankelijk van of de cadans hem dan wel mij een beetje naar rechts of naar links schommelde.

De cadans dreef mijn gedachten weer naar onbestemde verten. Dit maal niet daar de mooie momenten van een zwart verleden, maar naar een fantasie wereld, één waar ik dan weer de held, dan weer het slachtoffer was. Ik fantaseerde het resultaat van een derde wereld oorlog bijeen. Een oorlog die de huidige beschaving totaal vernietigde. De steden, de spoorwegen en andere menselijke structuren bestonden nog wel, maar waren door gebrek aan technologische mogelijkheden en gebrek aan adequaat onderhoud in onbruik geraakt. In de nasleep van deze oorlog – de beelden in mijn hoofd waren toepasselijk zwart-wit, het gekruimelde zwart-wit dat je wel op hele oude televisies ziet – was het leven alleen maar mogelijk door meedogenloos te zijn. En ik was roverhoofdman. Leider van een rovende en reizende bende die overal berucht was voor we ergens kwamen. Mijn mannen begingen wreedheden die mensen deden verbleken alleen al bij het horen ervan. Heimelijk was ik dood ziek van dit leven, maar uit pure overlevingsdrang ging ik er mee door. En steeds als er weer een nederzetting door onze rooflust viel, nam ik een aangename woning in beslag, en selecteerde een aantal mooie mensen om mij gezelschap te houden tijdens de avonden en nachten dat mijn mannen als beesten tekeer gingen. Wat mijn mannen niet mochten weten was dat de door mij geselecteerde mensen het lijden van die nacht bespaard bleef.

De cadans trok ongestoord door de wagon, maar mijn gedachten kwamen na wilde avonturen weer terug bij het hier en nu. De man met het gezandstraalde gezicht tuurde nog steeds onafgebroken naar buiten. Hij zat kaars rechtop, met de waardigheid van een zelfbewust kind dat de boodschappen moet bewaken voor de deur van een drukke winkel. Zijn ogen – de donkerste opalen die het land ooit gezien had – braken dwars door de spiegeling in het raam heen. Ze leken de zandstorm die buiten raasde te willen doorboren als was het niets dan een zachte watten deken die zich om de trein had gewikkeld. Toch moest hij beter weten wat het is om door een zandstorm overvallen te raken dan ik. De enige zandstorm die ik in mijn leven had gezien, raasde nu om de trein. Ik volgde zijn blik naar buiten, langs de spiegeling van de man die nu de bof leek te hebben. Ik zag niets dan een bruingrijze massa, alsof de trein door het water van een met rottende bladeren gevulde sloot trok. En ik vroeg me af wat deze man buiten zag.

De kadans had zijn vervoerende kracht verre van verloren. Terwijl ik door het raam keek, de spiegeling van het stilleven van reizende mensen negerend, bracht de machtige cadans de grijsbruine massa tot leven. De eerste contouren die zichtbaar werden, waren windvlagen; ongrijpbaarder dan de plooien in een gordijn die verworden tot glad getrokken stof zo gauw we het aanraken; zelfs nog ontastbaarder dan een plooi in het gordijn van vallende regen, zichtbaar alleen door ons onvermogen afzonderlijke druppels in een stortbui waar te nemen, en die onaangeraakt verdwijnt om plaats te maken voor een nieuw patroon van vallende druppels. De contouren in de zandstorm die ik aanschouwde waren onbereikbaar als een actrice op TV, onbewust van de moordenaar die langzaam haar badkamer komt geslopen. En plots schoven ze langs het raam: Harry Potter onvriendelijke magische creaturen. Dan weer skeletten gekleed in wijde in de wind van de langs razende trein fladderende kleden, dan weer de afzichtelijkste gedrochten trokken langs het raam. Ze wierpen een moment een blik naar binnen en probeerden de oplettende inzittende van de ziel te ontdoen, om een moment later te verdwijnen, en op te lossen in de storm alsof ze nooit geweest waren. Toch kan dit beeld dat mijn dromerige geest waarnam niet hetzelfde beeld zijn waar mijn intrigerende reisgenoot zo aandachtig naar zat te turen.

De cadans werd wederom onderbroken. Deze keer door het gedreun van de wagon die tegen de voorgaande wagon aan bonsde, niet lang daarna gevolgd door het gebons van de wagon achter ons die op de onze stootte. Een geluid dat waarschuwt dat de trein vaart mindert, trouw als de bliksem die aankondigt dat er een donderslag aan komt. Het einde van de reis is nabij. De tijd van indommelen op het magische ritme van de cadans is voorbij. Het is de tijd van schijnbaar achteloos doch argwanend mijn spullen bij elkaar zoeken – ik ben een vreemdeling, makkelijk slachtoffer van diefstal. Het is de tijd waarin de cadans onregelmatig over wissels stottert, de inzittenden steeds weer om ver werpend met het van richting veranderen van de trein, vlak voordat hij er helemaal het zwijgen toe doet. Waarna ik verdwaasd, nog in de ban van het imposante mechanische schouwspel dat mij naar Yazd heeft gebracht het perron op moet om mijn weg door deze nieuwe stad te vinden.

MyOpera

Twitter

Facebook