Thuis boeken schrijven
 

Het Recht op de Waarheid

Hoofdstuk Eén

"Door de hele geschiedenis heen, zijn naties opgekomen en steeds weer uit een gevallen. Alle grote naties streefden naar wereld macht, de beruchtste grote naties dachten dat ze dat ook bereikt hadden. Wanneer een natie uit elkaar viel, viel de wereld zoals die toen bekend was terug in technologische staat, geloof, en politieke structuur van voor die tijd. Daarna duurde het steeds weer vele generaties, voordat er een volk zich iets herinnerde, en een nieuw rijk bouwde dat nog grootser en glorieuzer werd dan het voorgaande. In de huidige samenleving kent men meer rechten en vrijheden dan ooit tevoren. Ook dat is een natuurlijke ontwikkeling: Elke keer dat een nieuw wereldrijk tot stand komt, wordt er meer waarde gehecht aan de rechten en vrijheden – al dan niet ogenschijnlijk – van de onderdanen."

Er werd gerommeld in de zaal en Henry voelde dat hij even tijd moest maken om de theorie door te laten dringen. Hij wist dat deze les er hard inhakte met abstracte theorie, maar wat moest hij dan? Eerst de voorbeelden geven lag hem ook niet.

"Ik ga te snel?" vroeg hij daarom. "Het is nogal een theorie, dat ben ik met je eens, maar ik zal nu met voorbeelden beginnen."

Nog een moment stilte voor hij verder ging.

"Eén van de eerste naties die een belangrijke invloed hebben gehad, is het Perzische rijk. De Perzen leefden enige duizenden jaren geleden. Toen het Perzische rijk viel duurde het vele honderden jaren voor er weer een natie echt tot grootheid rees. Deze relatieve stilte werd tweemaal kort onderbroken door de zogenaamde Egyptenaren en Grieken; in die volgorde.

Daarna kwam er een nieuwe natie op, die echt wat aandacht verdient; het Romeinse Rijk. Dit Rijk legde op politiek en economisch gebied, de fundamenten voor het rijk dat relatief kort daarna kwam. De Romeinen ontwikkelden systemen die de tand des tijds bleken te weerstaan. De politiek en wetgeving waren vergelijkbaar met die van hun opvolgers. Ze brachten het principe 'geld' tot volle wasdom; iets wat heel belangrijk was voor hun opvolgers. Tot slot wil ik noemen, dat ze een wegennetwerk bouwden van een vergelijkbare kwaliteit door heel Europa.

Het Romeinse rijk viel, om plaats te maken voor de langzame bouw van wat men nu 'het Amerikaanse Rijk' noemt. De eerste sporen van de 'Amerikaanse mentaliteit', kwamen voor in Europa, nog nauwelijks duizend jaar na de val van het Romeinse rijk. Toen de Europeanen dan eindelijk het Nieuwe Land ontdekten, verhuisden deze mensen – toen heetten ze nog geen Amerikanen – naar 'huis'. Zoals het zo vaak gaat met grootscheepse volksverhuizingen, slachtten ze de toen aanwezige bevolking af en eigenden zich het land toe. Daarna bouwden ze hun land op, en toen ze eenmaal hun steden en economie hadden, begonnen ze hun ideeën over vrijheid uit te dragen.

En dat deden ze in het geheel niet slecht. Er was vrijheid van meningsuiting, vrijheid van persdruk en zelfs – iets dat nieuw was voor een wereld overheersende staat – vrijheid van godsdienst. Wat er nog niet echt bestond was vrijheid van handel. Ze hadden het idee: als je het doet zoals wij het doen, dan kun je je winst houden. De landen die verzet boden aan hun overheersende economie, hadden het heel moeilijk. Stuk voor stuk gingen ze of overstag, of kapot. Het behouden van de winst was overigens ook niet helemaal waar. De meeste landen die in de begin jaren bezet werden, hadden nog niet zo'n sterke economie. De grote bedrijven die vanuit Amerika die landen overnamen brachten de winsten natuurlijk naar huis.

Daarmee regeerden de Amerikanen de wereld: geld. Dit bleek één van de machtigste wapens die de mens ooit heeft uitgevonden. Omdat ze het gebruikten om aan de macht te blijven, betekende het hebben van geld, het hebben van een beetje macht. En toen kon iedere burger, in theorie, wat macht krijgen. En geen fantasie noch rede, is tegen de schier magische kracht van macht opgewassen. In de ban van deze magie veranderden hele massa's mensen in slaven voor het Amerikaanse ideaal. Wat natuurlijk voor een belangrijke steun zorgde, was dat de Amerikanen meesters waren in manipulatie; iets wat ze goed hadden afgekeken van de Romeinen. Ze wendden dit vooral aan voor hun monetaire doeleinden. Ze kregen het voor elkaar om mensen voor hen te laten werken, werken, en werken zonder dat die mensen de indruk hadden dat ze slaven waren. Op die manier breidden ze hun macht uit. Het geniale aan dit systeem was dat niemand met een echt grote hoeveelheid geld werkelijke macht bleek te bezitten. Als die niet precies op één lijn met de ideeën van de Amerikanen zat, dan bezaten zij de macht zijn geld ongeldig te verklaren, en de handel te herdrukken. Overigens had de wereld toen meer dan één munteenheid, maar de meest gewilde munt was de Amerikaanse Dollar. En de Amerikanen konden naar lieve lust beslissen wat ze ermee deden.

Er waren een aantal landen die een poging deden zich tegen de Amerikanen te verzetten. Een kort maar krachtig verzet werd geboden door de Russen. Voor net iets minder dan een eeuw, werden ze als de gelijken van de Amerikanen gezien. Ze bereidden zich allebei voor op een gewapende strijd. Gelukkig voor de wereld is het nooit zo ver gekomen; het geloof van de Amerikanen in hun geld bleek sterk genoeg. Maar uiteindelijk stortte ook het Russische rijk ineen, en bleek dat het een vervaarlijke luchtbel was geweest. Een andere, stillere strijd, werd gevoerd met de Chinezen. De Chinezen verschuilden zich aanvankelijk achter de hevige strijd met de Russen, en deden net alsof ze vlak na de Russen, de Amerikanen hun zin gaven. Maar dat was slechts spel. Beter nog dan de Amerikanen verstonden de Chinezen de kunst van het toneelspelen, het manipuleren, en de werking van de kapitalistische markt. Hierdoor kregen zij het voor elkaar dicht tot de werkelijke macht door te dringen. Zij waren, of veroorzaakten datgene wat een eind bracht aan het Amerikaanse rijk. Dit gebeurde overigens pas een aantal eeuwen na de val van de Russen.

Een laatste groep die ik wil noemen zijn de moslims. De meeste moslims voegden zich uiteindelijk bij de Amerikanen. Slechts een klein aantal, dat het hardste aan hun monotheïstische godsdienst bleef hangen, bleef gedurende het hele bestaan van het Amerikaanse rijk weerstand bieden. Een frappant detail hierover is dat deze religie, en de officiële religie van de Amerikaanse regering, veel op elkaar leken. Beide waren monotheïstisch en beide leden onder de nodige misinterpretaties. Maar daarvoor moeten jullie bij een andere professor zijn.

Tot voor kort werd algemeen aangenomen, dat de Chinezen aan de basis stonden van de val van de Amerikanen. De theorie was dat een natie de wereld alleen maar met geld kon regeren, als de belangrijkste munteenheid door maar één natie beheerd werd. Conflicten over wat te doen met de munt was wat leidde tot de val van de Amerikanen. Deze theorie maakte het aannemelijk, dat er een gat was van ruim 200 jaar tussen het laatst gevonden Amerikaanse bankafschrift, en het terugvallen van de mensheid als geheel. Terugval zoals ik in het begin van dit college genoemd heb. Deze theorie werd als waar aangenomen, totdat er eerder dit jaar een boek gevonden werd ergens in de centraal Europese heuvels. Dit boek, zo'n 60 jaar voor de Grote Verandering gedrukt, bewijst dat de Amerikanen aan de macht bleven, tot dan toe. Waarom dit het enige overgebleven document uit die periode is, is onduidelijk, en we zijn druk met het onderzoek daarnaar bezig. Ik denk dat ze een manier vonden om op plastic te drukken – in die jaren was hout zeldzaam en dus papier erg duur. Wat bekend is, is dat er tijdens de grote verandering een grote hoeveelheid ongewone gassen in de atmosfeer aanwezig waren die plastic sneller aantastten dan wat dan ook. Dus alle drukwerk is in die periode verloren gegaan. Er is voor mijn theorie nog weinig bewijs, dus jullie hoeven het niet te weten voor jullie tentamens.

Onthoud nu alleen maar dat evolutie in alle vormen is door gegaan; dus in het rijk waar wij nu in leven zijn, we nog vrijer dan de mensen onder de Amerikanen. Geniet van jullie lange weekeind."

Hoofdstuk TWEE

Henry vond dit elke keer weer een vervelende les om te geven. Hij wist wel dat hij de meest aangewezen persoon was om deze les te geven, maar toch. Van alle historici aan de universiteit van Johnnsburg, was hij het meeste bekend met het Amerikaanse Imperium. Om de een of andere reden fascineerde dat deel van de geschiedenis hem enorm. Ondertussen was hij al drie keer in dit tegenwoordig zo ruige deel van de wereld geweest. De mensen leefden daar nu naar de gewoontes van voor het Amerikaanse Imperium. Daar waar er gaten waren gevallen in de kennis over die manier van leven, hadden ze zelf een invulling gevonden.

Toch gaf hij deze les met tegenzin. Er bestonden veel theorieën over de teloorgang van het Amerikaanse Imperium, maar geen enkele was sluitend. En studenten, opgeleid om vragen te stellen, bedachten juist die vragen waar nog geen antwoord op was. Hij wist zoveel meer dan hij vertellen kon in één les, maar daar vroegen ze nooit naar.

Deze keer had hij zijn verhaal naar tevredenheid gedaan, want de meesten verlieten de college zaal zo gauw hij klaar was. Even schoot het door hem heen dat ze hem misschien een saaie leraar vonden, en de theorie wel uit de boeken haalden. Er waren maar een paar vragen. Eentje was zelfs voor Henry de moeite waard. Een aantal jaar geleden was er nogal wat gedoe geweest over de kalender. Een zekere Baynes had uitgerekend, dat er bij de herintroductie van de oude Christelijke Kalender een fout was gemaakt, en dat er een kleine 250 jaar meer waren geteld dan er feitelijk waren verstreken. Eén van de studenten vroeg, of het misschien zo kon zijn, dat dit de reden was waarom er over een kleine 200 jaar geen documentatie gevonden kon worden. Maar helaas. Het had de beste astronomen en wiskundigen van het land bijna drie maanden gekost, om te bewijzen dat Baynes het bij het verkeerde eind had gehad. Dus bleef de kalender onveranderd, en werd algemeen als de goede geaccepteerd. Daarbij was het duidelijk wanneer de Grote Verandering had plaatsgevonden, pas daarna was de kalender aanvankelijk verloren gegaan. Wat er tijdens de eerste jaren van de Grote Verandering was gebeurd, was bijna tot op de minuut bekend, aangezien de zaken weer op traditionele materialen werd vastgelegd; op materialen die niet werden aangetast door de onaardse gassen.

Nadat alle vragen beantwoord waren, pakte Henry zijn eigen spullen van zijn bureau De laatste studenten begaven zich naar de deur. Toen Henry zich omdraaide om zelf te vertrekken, zag hij dat er nog steeds één student in de banken zat. Al zijn boeken lagen nog op de tafel. Henry herkende hem als Charly. Charly was een beetje een einzelgänger. Misschien studeerde hij wel te veel. Hij was meestal de beste van de klas, maar hij had maar weinig vrienden. Verlegen, dat was het woord dat bij hem paste. Hij stelde zijn vragen meestal pas als iedereen weg was; Henry kon zich daar over opwinden. Hij stelde altijd interessante vragen, dus waarom mochten de andere studenten daar niet van mee profiteren?!

"En wat wil je nu weer?" Vroeg Henry, terwijl hij langzaam de trap door de zaal op liep. Henry wist dat het een slecht teken was voor een leraar, maar hij had weinig geduld meer met de late vragen van Charly. Er kwam echter geen reactie. Niets; niet eens een beweging van de ogen. Zelfs toen hij vlak naast hem stond, was er nog steeds niet de minste beweging. Henry pakte zijn hand, en die voelde kouder aan dan die van een levend mens. Hij voelde de pols. Geen hartslag. Geschrokken deinsde Henry achteruit. Hij kwam terecht op een stoelleuning aan de andere kant van het gangpad. Charly was dood! Maar hoe dan? Hoe hebben ze dat geflikt? Henry was erg streng omtrent lopen tijdens zijn colleges, en hij had niemand gezien. Er was geen bloed, niets. Een hart aanval? Maar zo'n jonge gozer? Nee, dat kon niet. Hij ging terug naar de bank waar Charly zat, zonder iets aan te raken. Er lag een stuk papier, waar Charly een of ander bericht op had willen schrijven. Geen adres.

'Ik weet iets dat jij niet we' stond er. 'We' was duidelijk een onafgemaakt woord, er leek een aanzet tot een tweede 'e', maar zover was Charly niet gekomen. En er lag geen pen op tafel. Dus of het was al voor de les geschreven, of de dader had de pen meegenomen – om geen vingerafdrukken achter te laten? Toen pas zag hij dat de pen op de grond was gevallen. De deur ging open en de schoonmaakster kwam binnen.

"Oh, sorry professor, ik had geen idee dat u hier nog was!" zei ze met haar sterk Europese accent. "Is het goed als ik vast begin?"

Henry knikte, maar bedacht zich onmiddellijk. Hij zei:

"Nee, zou u de politie kunnen bellen?"

"Oh jasses! De politie? Wat is er gebeurd?"

"Charly is dood. Ik denk niet dat het een natuurlijke dood is."

"Oh, mijn God!" riep ze. "Hier op deze universiteit?! Wie had dat ooit gedacht! We hebben zo'n goede reputatie…" Pas toen de deur achter haar sloot hield het gekwebbel op.

Henry zat nog altijd tegenover Charly en vroeg zich af hoe en waarom. Geen van de studenten had er iets van gemerkt, anders waren ze niet zo rustig vertrokken. Wat wist Charly? Het was een beetje laat om hem dat nog te vragen! Een gespannen glimlach speelde over Henry's gezicht. Misschien wel een belangrijker vraag was, wie had Charly vermoord voor zijn kennis?

Een beetje nerveus kwam de schoonmaakster weer naar binnen en begon meteen te kletsen.

"Ze zeiden dat ze hier spoedig zullen zijn," zei ze na een tijdje, waarmee ze de politie bedoelde. Alsof ze erop hadden gewacht stapten er twee agenten en een arts naar binnen, met een paar seconden na hen een rechercheur. Hij zag er niet uit als een rechercheur, in ieder geval niet zoals men verwacht dat een rechercheur eruit ziet. Zijn ogen waren nogal waterig, en hij had totaal geen strenge uitstraling. Toch noemde hij zichzelf rechercheur De agenten zochten naar vingerafdrukken, en ander mogelijk bewijs terwijl de rechercheur Henry een paar vragen stelde. Henry gaf ze de namen van de studenten die zijn college hadden bezocht, en de vier mannen vertrokken weer. Het lichaam zou zeer binnenkort opgehaald worden.

"Wat een onvriendelijke lui," zei de schoonmaakster op het moment dat ze de deur achter zich dichttrokken. "Ze stellen u allerlei vragen, zonder te vertellen wat ze er zelf over denken!" Terwijl ze verder praatte, wilde Henry terug naar zijn bureau lopen. Maar hij kwam niet ver. Toen zijn voet los kwam van de volgende tree kraakte er iets. Henry wist dat er wat speling zat op de onderste tree, maar zo ver omhoog had er nog nooit een tree gekraakt. Onder normale omstandigheden zou hij de TD gebeld hebben, en het probleem hebben laten verhelpen. Maar nu Charly dood in zijn bank zat aarzelde Henry.

Hij draaide zich om, en keek naar de tree. Vlak bij de bank schuin tegenover die van Charly lag de plank iets omhoog. Slordig van de politie dat ze dat over het hoofd hadden gezien. Wellicht dat ze zoveel moordzaken op hadden te lossen, dat ze zich niet zoveel moeite getroostten over een eenzame student zonder familie. Voorzichtig tilde Henry de plank van de tree. Met zijn andere hand voelde hij onder de plank, en ontdekte iets dat daar niet thuishoorde. Hij haalde het eruit.

Overdonderd keek hij naar wat hij in zijn hand hield. Het was een plastic boek. 'American History and Present, part 3/6'. Hij bladerde gauw naar de pagina waar hij wist dat hij de printdatum zou vinden. Het bleek dat dit boek slechts 52 jaar voor de Grote Verandering gedrukt was! Waar kwam het vandaan? Ook op die vraag kon Charly geen antwoord meer geven. Maar dat Charly er mee te maken had leek ineens onomstotelijk. Waarom had Charly dit verborgen? Wist hij al dat hij in gevaar was? Maar als hij het aan de afdeling Geschiedenis had gegeven, zou in ieder geval het boek veilig zijn geweest. En ze zouden kunnen proberen Charly te helpen. En er zou meer informatie beschikbaar zijn over de locatie van de andere delen. En… Zoveel meer 'en' zonder dat het er nu nog iets toe leek te doen.

Deel drie was niet zo heel spannend. Het ging over een stuk geschiedenis dat goed op papier vermeld stond. Het begon met de ramp in Vietnam en eindigde met de spectaculaire herverkiezing van president McMeyers. Het werd zijn derde periode, en dat was iets wat bij wet verboden was. Hij was echter zo populair, dat in plaats van op één van de officiële kandidaten te stemmen, de mensen zijn naam op het papier schreven. 85% van de stemmen waren op deze manier uitgebracht. Uit angst voor hevige rellen, had men toen besloten hem weer president te maken.

Wat interessanter was dan de inhoud, was de print datum van het boek. Logischerwijs zou in deel 6 gaan over nog niet eerder gevonden documentatie van de Amerikaanse geschiedenis.

Hopelijk kwam daar iets in voor over de komst van de buitenaardse beschaving, volgens de overlevering zo'n 70 jaar voor de Grote Verandering. Sommigen beweerden dat hun vertrek de schade tijdens de Grote Verandering beperkte, maar Henry twijfelde daaraan. Het andere interessante aan het boek was de kwaliteit. Het moet tot voor kort luchtdicht bewaard zijn gebleven. Dat zou Henry trouwens ook gauw moeten doen. Niet dat plastics tegenwoordig nog steeds zo snel vergingen, maar toch…

Het boek zou wel op een geheime plaats bewaard moeten worden. Een geheime, luchtdichte plaats. Hij was er opeens van overtuigd, dat Charly hiervoor vermoord was. En het bewaren zou ook voor hemzelf gevaar opleveren. Maar Henry was te nieuwsgierig om het nu al uit handen te geven. Hij moest eerst meer te weten komen. Waar kwam het vandaan? Wie had de andere delen? En waarom was het zo'n groot geheim? Zo groot dat ze – wie 'ze' ook moge zijn – zo ver gingen iemand ervoor te doden!

"Sorry professor, kunt u een stukje opschuiven, ik moet ook deze rij schoonmaken."

De schoonmaakster had tijdens haar werk zorgvuldig de plek waar Charly zat gemeden. Henry stond op en ging naar zijn bureau. Hij stopte het boek in zijn tas, en draaide zich om om te vertrekken. Hij aarzelde. Hij draaide zich weer terug, en keek naar de schoonmaakster. Had ze iets gezien? Zou hij haar om geheimhouding vragen? Hij besloot dat niet te doen. Er waren maar weinig mensen in heel Johnnsburg die zouden beseffen wat dit boek voor zijn faculteit zo beteken. Al had de schoonmaakster gezien dat het een plastic boek was, ze zou er waarschijnlijk weinig van denken. Er waren wel meer vreemde dingen in een universiteit! Om zijn aarzeling vorm te geven zei hij: "Uh, mevrouw, Vrolijk Pasen!"

"Oh, professor, komt u niet tijdens de tentamens?"

"Nee, het lab heeft me gevraagd iets uit het oude Perzische rijk te onderzoeken. Ze willen weten waar het voor gediend heeft." Dat was niet geheel onwaar, maar Henry wist nu dat hij tijdens de tentamens niet met Perzië bezig zou gaan!

"Ik dacht dat u een Amerika specialist was. Ik heb u regelmatig over dat onderwerp in de krant gezien. Mijn vrienden waren nog al onder de indruk toen ik zei dat ik soms voor u werk! Zij weten niet precies wat ik doe, ziet u? Maar waarom vroegen ze u om iets over het Pressiche rijk te onderzoeken?"

"Perzische rijk," verbeterde Henry terwijl hij dacht, 'stopt ze ooit met praten?' "Ja," zei hij er toch maar bij, "Ik ben gepromoveerd op dat deel van de wereld geschiedenis. Pas daarna ben ik verslingerd geraakt aan het Amerikaanse Imperium. Ik doe nog maar weinig dat met Perzië te maken heeft."

Daarna zei hij niets meer, en vertrok.

Zon

De hitte werkt op het geheugen. Hoe lang zijn ze nu al onderweg? De man kan het zich niet meer precies herinneren, maar uit schaamte – het kan immers niet lang zijn – durft hij het zijn reisgenoot niet te vragen. Ze lopen door een ruig en droog terrein, maar de eerste tekenen van een gematigder klimaat verschijnen al. De cactussen die ze de eerste twee dagen zo veel tegen kwamen, maken langzaam plaats voor droog gras, en zelfs wat doornige struiken.

Het is warm. Hij heeft geen thermometer bij zich, maar de zon is dag in dag uit een niets ontziende hete schijf aan de hemel. Aanvankelijk hebben ze vanwege de hitte zo veel mogelijk kleren uit gedaan, maar die eerste nacht konden ze niet slapen van de pijn. Gewend aan een nogal nat klimaat, hadden ze er niet bij stil gestaan dat ook hun huid zoveel zon niet zomaar kan verdragen. Vooral zijn reisgenoot – een veel jongere vrouw – had er last van. Zij heeft een veel blankere huid dan hij.

Toch wil zij van geen oponthoud weten. Ze heeft ergens haar zinnen op gezet, en lijkt nog liever dood te gaan dan vertraging op te lopen.

Ze lopen door een nog redelijk bewoond gebied. Elke dag passeren ze wel een dorpje, waar de mensen argwanend tegenover de vreemdelingen staan. Argwanend, maar niet onbehulpzaam. De enige manier voor mensen om in de woestijn te overleven, is door elkaar te helpen. En die behulpzaamheid zit bij deze mensen zo diep ingebakken, dat ze de vreemdelingen van water en eten voorzien, ook al vertrouwen ze hen voor geen cent. Water drinken ze veel. Ze kunnen steeds maar net genoeg water meenemen voor een hele dag. Tot ze eergisteren in een dorp kwamen waar een van de inwoners hen een extra grote waterzak mee gaf. De gulle gever zei dat er twintig liter in kon, maar dat lijkt overdreven. Het is echter genoeg om een aantal dagen van te kunnen leven.

Dat cadeau kwam niet te vroeg. Sinds dat dorp hebben ze nog geen andere nederzetting gevonden, maar nu zien ze weer sporen van menselijk leven. Het eerste is steevast een brandstapel, vaak zo'n drie of vier uur lopen van een dorp of stad. Bij de eerste brandstapel gingen ze nieuwsgierig kijken, maar de stank dreef hen gauw verder. Het diende voor de verbranding van afval.

Niet ver voorbij de laatste brandstapel kruisen ze een weg. Het dorp dat zijn afval hier verbrandt ligt blijkbaar niet precies op hun route. De jonge vrouw wil doorlopen in de juiste richting. Via het dorp geeft volgens haar onnodig oponthoud. De man praat dringend op haar in. Al is de waterzak groot, ze weten nooit wanneer ze nieuw drinkwater zullen vinden. Ze capituleert, en neemt de kleine omweg. Eenmaal in het dorp laat ze hem het drinkwater verzorgen, en gaat zelf op inlichtingen uit.

Hoofdstuk VIER

Die avond at Henry snel. Daarna ging hij naar boven naar zijn privé laboratorium. Het was maar een klein lab, maar er stond in wat hij nodig had. Er was een kleine zwarte markt voor kopieën van plastic hebbedingetjes. Een enkele rijke stinkerd wilde indruk maken op zijn buitenlandse gasten. Maar het origineel van dit boek bestond niet, dus kon dit wel een illegale kopie zijn? Toch zou hij het controleren. Toen hij net alle chemicaliën bij elkaar had gedaan, en hij het puntje plastic er in wilde doen, ging de telefoon. Hij stopte het glas snel onder de UV lamp. Het was niet erg als het er langer onder stond dan strikt noodzakelijk. Alleen jammer dat hij de verandering niet zou zien.

Hij liep naar de telefoon terwijl hij hoopte dat deze primitieve draadtoestellen ooit eens zouden worden vervangen door iets praktischers.

"Henry," zei hij toen hij de hoorn tegen zijn oor drukte.

"Tyrell hier. Sorry dat ik u zo laat nog bel. U herinnert mij misschien niet meer; de rechercheur van vanmiddag…"

Henry herinnerde het zich, en zei dat.

"Ik bel u, omdat we een probleem hebben. Was u de laatste persoon in de collegezaal?"

"Nee, ik was niet de laatste."

"Hm, weet u dat zeker?"

"Heel zeker, hoezo?"

"Hm… Het volgende zal u waarschijnlijk vreemd in de oren klinken, maar het lichaam van Charly is verdwenen. Toen onze mannen het kwamen ophalen was hij weg. Alles was weg, en de tafel schoongemaakt. Weer geen vingerafdrukken. Weet u wie er na u was?"

"De schoonmaakster. Ik weet alleen niet hoe ze heet. Een blanke vrouw met een sterk Europees accent."

"Dat helpt veel, meneer," zei Tyrell een beetje sarcastisch.

"Ik weet het, daar er veel van zijn… Sorry," zei Henry, terwijl hij naar een manier zocht dit gesprek zo kort mogelijk te houden.

Dat bleek niet nodig. Tyrell zei zelf ook heel druk te zijn en hing op. Toen ging Henry piekerend terug naar boven. Het lichaam was weg? Hij kon onmogelijk zelf naar buiten zijn gelopen. Hij was wel echt dood toch? Dan hadden ze het dus heel goed moeten timen; ongezien naar binnen en naar buiten…

Vooral op een grote universiteit als deze. Wie kon zoiets voor elkaar krijgen? Wat was het werkelijke geheim dat Charly kende? En waarom moest dat koste wat het kost geheim blijven? Was het alleen maar het boek, of was er meer? Wie was Charly, behalve een excentrische einzelgänger?

Henry besloot gauw meer uit te gaan zoeken. Maar eerst ging hij terug naar zijn lab. Hij zette zijn beschermende bril op, en ging naar het glas met chemicaliën. Hij keek in het glas, en kreeg bevestigd wat hij al vermoedde.

Het was echt.

Deze gedachte hamerde in zijn hoofd toen Henry de verlichting uit deed en weer naar beneden ging. Alleen omdat hij bang was na de dood van Charly, belde hij niet meteen zijn collegae om zijn enthousiasme te delen. Eerst moest hij de andere delen vinden, waar Charly de zijne ook had gevonden. Maar wat stond hem te wachten als Charly al was vermoord voor het hebben van dit ene boek? Vooralsnog was hij niet in gevaar; niemand wist dat hij het boek had. De schoonmaakster had het vast niet herkend. Dat hoopte hij tenminste.

Henry ging naar zijn studeerkamer. Er hing een stoffige geur van lang niet gebruikte papieren boeken. Normaal gesproken studeerde hij op de universiteit en gebruikte hij de bibliotheek aldaar. Maar hij was hier nu niet voor zijn boeken. Hij was hier voor zijn leerlingen administratie. Hij ging naar de la en vond al snel de map van Charly. Bijna alleen maar 10-en, geen enkele 8 of lager. Maar dat was niet de informatie die hij zocht. Hij zocht naar de gedrukte bladzijde. Charly Weaver, 22 jaar, geboorte plaats: geheim. Daar stopte hij. Het was hem nog nooit opgevallen. Geheim?! Waarom zou iemand zijn geboorteplaats geheim willen houden? Verder was er niets vreemds aan Charly. Hij leefde in één van de betere wijken niet ver van de universiteit. Waarschijnlijk huurde hij een kamer bij een ouder echtpaar waarvan de kinderen al uit huis waren. Dat was erg populair onder de studenten. Het was goedkoop – deze mensen deden het voor de veiligheid, niet voor het geld – en het was meestal dichterbij de universiteit dan een andere goedkope kamer. Henry besloot het huis morgen op te gaan zoeken.

Maar nu was het bed tijd. Het was al erg laat.

De volgende ochtend bracht de post een vreemde brief. Geen afzender, een primitief getypt adres. Hij legde de overige post opzij en opende de vreemde enveloppe. Er stond maar één zin: "Als deze van jou is weten we dat jij het boek hebt." En daarnaast stond een vingerafdruk. Zijn vingerafdruk. Zijn hart sloeg in zijn keel. Uit de brief bleek, dat ze niet helemaal zeker waren of het zijn vingerafdruk was. Hoe lang zou het duren voordat ze daar achter waren? Wie had het gestuurd? Wie zat er achter deze grap? Dezelfde mensen die Charly hadden vermoord? Zeer waarschijnlijk, maar hoe invloedrijk waren zij? Als ze toegang hadden tot de politiearchieven dan duurde het waarschijnlijk niet meer dan een paar uur voordat ze het zeker wisten. Hij moest verdwijnen. En snel.

De telefoon ging. Henry viel bijna van zijn stoel van schrik. Zijn moeder.

"Ik las net in de krant dat een van jouw studenten dood in je lokaal zat. Waarom vertel je me zoiets niet?"

"Sorry moeder, het was me nogal een dag. Ik was nogal van slag gisteren."

"Maar je kunt je eigen moeder toch wel voor troost op zoeken?"

"Voor troost wel… Maar ik heb nu iets anders aan mijn hoofd. Het is een soortement geheimpje. Het heeft te maken met het onderzoek dat ik aan het doen ben."

Zijn moeder kon al net zo lang praten als de schoonmaakster. Toch bracht hij de beleefdheid op, om haar hele verhaal aan te horen. Toen ze eindelijk ophing, rende hij naar boven. Hij graaide het boek en het adres van Charly bij elkaar, en weer wilde naar beneden gaan. Plotseling hoorde hij een magnauto de hof op rijden. Hij keek naar buiten, en zag nog net iets grijs richting zijn voordeur schuiven.

De politie had groene magnauto's, en hij kende niemand met een grijze magnauto… Hadden ze nu al zijn vingerafdruk vergeleken? Nu al? Dat kon bijna niet. Maar wie dan? Er werd niet geklopt. Er werd niet gebeld. De deur ging gewoon open. De angst sloeg Henry om het hart. Zo stil als hij kon sloop hij naar de achterkant van zijn huis. Gelukkig bouwden ze in het vorige decennium alle nieuwe huizen met de ramen op de eerste verdieping tussen de ramen op de begane grond. Hij opende het raam, nam het boek strak onder zijn arm, en sprong naar beneden. Nu was hij maar wat blij dat hij net het gras had gemaaid. Zo liet hij niet zoveel sporen na.

Voorzichtig keek hij om het kozijn heen zijn kamer in. Hij deinsde achteruit. Er stonden drie sterk uitziende mannen in vergelijkbare grijze pakken in zijn kamer. Drie nota bene! Met hun ruggen naar hem toe. Weer gluurde hij naar binnen. Een man maakte een gebaar. Twee verdwenen door de ene deur, de derde door een andere. Ze waren nu alle drie in kamers die geen zicht hadden op de achtertuin. Henry hoopte, dat hij nu tijd genoeg kreeg om ongezien zijn gazon over te steken. Er hadden eens struiken in zijn tuin gestaan. Toen hij dit huis kocht, had hij dat niet mooi gevonden, en ze weg laten halen. Nu had hij daar immense spijt van.

Terwijl hij zijn gazon over vluchtte leek dat groter dan voorheen. Toen hij eindelijk de kleine kas aan de andere kant bereikte, verstopte hij zich daar achter. Hij ontspande even; hij hoopte maar dat ze hem niet gezien hadden.

Hier vandaan kende hij twee mogelijkheden om naar grotere wegen te komen. Maar welke was de beste keus? Nog lang te voet verder gaan leek hem onverstandig. Het was beter sneller vervoer op te zoeken, al had hij nog geen idee waar hij dat zou vinden. Zijn eigen magnauto was buiten bereik en hij had deze maand al teveel punten gebruikt om er nog een te kunnen huren. Hier tot het eind van de maand zitten wachten, was geen goed alternatief. Maar wat als de grijze mannen vertrokken? Dan zouden ze waarschijnlijk zijn huis in de gaten houden. Zou hij naar zijn moeder gaan, en haar om hulp vragen? Zij woonde niet zo heel ver weg. Ver genoeg om de afstand als excuus te gebruiken er niet iedere dag langs te gaan, maar geen onoverbrugbare afstand.

Toen hij bijna bij de weg kwam zag hij een grijze auto langsrijden. Zijn adem stokte en hij hield in. Toen kwam er nog een. En nog een. En toen pas realiseerde hij zich hoe veel mensen er in een grijze magnauto rijden. Stom van hem. Hij had niet even de moeite genomen te kijken welk merk en type de mysterieuze grijze mannen reden. Aan de andere kant, ze leken allemaal zo erg op elkaar dat hij ze zeker niet op grote afstand al kon herkennen. En tegen de tijd dat ze dichtbij waren, was het vast al te laat. Hij wist nog steeds niet hoe ze Charly hadden omgebracht.

Hij moest het risico nemen; hij kwam uit zijn steeg en sloeg rechts af. Nu reed het verkeer aan zijn kant van de weg tegen hem in. Dat leek hem verstandig, want nu kon er niemand naast hem komen rijden. Terwijl hij zorgvuldig zijn weg door de stad zocht, zorgde hij ervoor dat het verkeer steeds in de tegenovergestelde richting bewoog. Dat ging perfect totdat hij in de buurt van zijn moeders huis kwam. Er stond een grijze magnauto achter de hare. Hadden ze zijn moeder nu ook al opgezocht in de hoop dat Henry daarheen zou komen? Hij stond op de T splitsing en er was nog altijd wat verkeer tussen hem en de magnauto. Met een beetje geluk zouden ze hem niet zien als ze wegreden. Maar als het nou eens de magnauto van de buren was? In dat geval zou hij moeten wachten tot de volgende ochtend voordat hij zeker zou zijn.

Hij verstijfde toen zijn moeders voordeur open ging. Een man in grijs kwam, veelvuldig knikkend, naar buiten. En achter hem aan, nog één en nog één. En als laatste kwam zijn moeder naar buiten, nog steeds pratend met een snelheid van 200 woorden per minuut. Henry kon niet verstaan wat ze zei, maar het was typisch zijn moeder. Toen ze bij de magnauto kwamen, draaide de derde man zich om en zei waarschijnlijk iets verschrikkelijks, want zijn moeder sloeg beide handen voor haar mond. De man gaf haar een kaartje, en wees er iets op aan. Daarna stapten ze in en reden weg. Het duurde maar een paar minuten voordat Henry bij zijn moeder voor de deur stond. De laatste meters had hij gerend, en hij drukte lang op de bel. Echter, nog voor hij de bel losliet, opende zijn moeder de deur en trok hem naar binnen.

"Mijn God, je bent nog in leven! Daarnet waren hier drie mannen. Best knap en in het begin heel beleefd. We dronken een paar kopjes thee en praatten wat. Ze zeiden dat ze van de krant waren. Maar ik geloofde er geen woord van. De krant stuurt nooit drie mensen. En ik vind krantenvolk vaak nogal onbeschoft. Oh, wil je thee? Nou ja, ik geloofde geen woord van wat ze zeiden, dus ik werd nieuwsgierig. Ik stelde allerlei vragen. En ze waren best wel goed. Ze wisten veel van je werk, maar ze waren niet bij je persconferentie geweest; die van afgelopen week, je weet wel. Ze zeiden dat dat de reden was waarom ze je wilden zien. Maar toen ik vroeg van welke krant ze waren, wilden ze ineens geen antwoord meer geven. Eentje keek op zijn horloge, en zei dat het tijd was om te gaan. Ik bleef maar praten en vragen stellen, maar ze wilden niet meer antwoorden. Dat vond ik nou het vreemdste. Krantenvolk is altijd erg trots op de krant waar ze voor schrijven."

Ondertussen was de thee ingeschonken. Henry had zich in een strategisch staande stoel gezet; nu kon hij niet vanaf de weg gezien worden, maar hij had wel een goed overzicht op het tuinpad naar de voordeur. Zijn moeder scheen niets vreemds aan hem te merken, en ging door met haar onstuitbare woordenvloed.

"Dus begon ik me zorgen te maken. Je bent en blijft nou eenmaal mijn zoon, en ze zitten achter je aan. Ik was erop gebrand erachter te komen wie of wat ze zijn. Afijn, toen ze bij de magnauto kwamen verloor de achterste ineens zijn beleefdheid en zei iets dat mij even sprakeloos liet."

'Ik vraag me af wat dat voor bijzonders geweest is,' dacht Henry.

"Ik weet wat je denkt, Henry, maar het was echt onbeleefd! Nou ja, hij mompelde ook nog iets als 'we zijn van de African Reported'. En toen kwam bij mij de bovenkamer op gang. Ik had je hoofd in die krant zien staan naar aanleiding van jou laatste persconferentie. Daar was ik net naar op zoek. Ik dacht dat ze een hele bladzijde over jou hadden. Over… Over…"

"Ik weet waar het over ging, moeder," onderbrak Henry haar.

"Natuurlijk weet je dat. Alles wat ik zeggen wou was dat ik dacht dat ze GD waren."

Ondertussen tuitten Henry's oren van de woordenvloed, dus het duurde even voordat deze zin tot hem doordrong. De weinige keren dat zijn moeder ophield met praten, had ze zojuist iets heel belangrijks gezegd. Ze dronk haar thee terwijl ze haar zoon strak aankeek. Ze wachtte duidelijk op een reactie. Ineens draaide hij zijn hoofd met een ruk naar haar toe. Zijn aandacht verliet de deur.

"GD?!"

"Ja, dat zei ik. GD!" Haar stem, meestal aangenaam om te horen klonk nogal enthousiast. Waarom zou de GD achter een plastic boek aan zitten? Het was geen wapen dat de stabiliteit in de wereld bedreigde! Of toch? Maar hoezo dan? Voor Henry was het gewoon iets dat weer een tipje van de sluier over de geheimen van het verleden oplichtte.

"Wat willen ze van je?" onderbrak zijn moeder zijn gedachten.

"Dit, moeder," en daarmee gaf hij haar het boek dat tot nu toe strak onder zijn arm had gezeten.

Terwijl ze de pagina op zocht waar de uitgave datum stond riep ze: "Oh, dit is geweldig! Ze zullen het van mij niet te horen krijgen. Als het aan mij ligt heb je het niet."

"Ze weten al dat ik het heb. Weet je trouwens zeker dat ze GD waren?"

"Oh ja, dat vergat ik nog," zei zijn moeder die haar eigen gedachtelijn volgde. "Ze gaven me nog een kaartje. Ze zeiden: 'Mocht hij langs komen, neemt u dan contact met ons op!' Dat zei die ene. Hier… wil je het hebben?"

Henry nam het kaartje aan, niet zeker of hij het ooit zou kunnen gebruiken. Hij herhaalde zijn vraag, terwijl hij achteloos het kaartje in zijn zak stak.

"Ik mag dan wel een ouwe kakel zijn, maar ik heb wel wat gelezen hoor, zo hier en daar! Ja, ik ben er behoorlijk zeker van dat ze van de Geheime Dienst zijn."

REGEN

Het is een regenachtige ochtend. De man opent zijn ogen en heeft meteen geen zin meer, overkomen door een algeheel gevoel van futloosheid. Niet door gebrek aan slaap, maar door gebrek aan genoegdoening en comfort de laatste paar weken. Dit onderkomen is het beste wat ze in dagen hebben gevonden. En dit weer, een eindeloze reeks buien, begint hem behoorlijk de keel uit te hangen. Drie weken zijn ze nu onderweg. Zijn reisgenote vertelde hem dat gisteren. De hitte, met die verzengende schijf aan de hemel, is al een tijd geleden vervangen door een ononderbroken laag van wolken. Al hun spullen zijn nat; of vochtig op zijn best. Vijf dagen lang regenbui na regenbui na regenbui. Het is niet bepaald waar ze zich op hebben voorbereid. Hij kijkt naar buiten, en ziet dat de lucht nog steeds zwaar bewolkt is. Naast hem beweegt de vrouw. Hij is van haar gaan houden als van een dochter. En dat in de korte tijd dat ze elkaar kennen. Hoe lang is het geleden? Niet meer dan vijf, zes weken! Samen reizen, in een nogal eenzaam gebied, brengt een speciale verbondenheid met zich mee. Meer dan een week geleden, zagen ze voor het laatst andere levende mensen. Misschien zijn ze daarna wel gezien, maar ze zijn niet gestoord. De vrouw gaat zitten, en draait haar hoofd naar hem toe. Aan haar gezicht valt af te lezen, dat ze net zo over het weer denkt als hij. Toch zegt ze:

"Laten we gaan…"

Even heeft hij de neiging voor te stellen een dag rust te nemen, en op beter weer te hopen. Maar hij weet ook dat ze bijna bij hun doel zijn. En als de geruchten van vorige week waar zijn, dan moeten ze opschieten. Dus gaat hij ook zitten en begint zijn ontbijt te maken. Hij staat erop dat ze dat doen voordat ze beginnen te lopen. Waar zij haar energie vandaan haalt is een wonder; misschien uit haar jeugdigheid? Ze lijkt alleen maar avondeten nodig te hebben. Ze kunnen maar een zeer beperkte hoeveelheid proviand meenemen, en dat maakt het ontbijt elke dag minder interessant. Ondertussen bestaat het ontbijt eigenlijk alleen maar de resten van het avondeten van gisteren. En dat is weer alleen maar wat ze vinden of vangen. Een mens kan zich echter verrassend goed aanpassen. Elke dag wordt het jagen makkelijker; elke nieuwe vangst lijkt makkelijker te zijn gegaan dan de vorige. Het herkennen van planten en bessen die ze eten kunnen, is zo langzamerhand ook niet erg moeilijk meer. Op de boot hierheen, hebben ze zich door een boek over eetbare planten heen geworsteld. Foto's en beschrijvingen zijn echter altijd weer anders, dan wanneer de bessen buiten aan een struik hangen. Maar het gaat nu meestal goed. Het enige probleem is nu nog, de ene rode bes, van de andere te onderscheiden. De ene is één van hun favorieten, de andere maakt hen een dag lang akelig ziek; iets wat ze uit ongelukkige ervaring weten. Proeven is de beste manier om het zeker te weten, maar één besje… Het lijkt wel tovenarij.

Na het ontbijt gaan ze naar buiten. De wolken lijken zelfs dikker dan een uur geleden. Voor ze een kilometer hebben gelopen, begint de druilregen weer. Geïrriteerd slaat hij zijn handen ten hemel: Waarom moet dat nou? Hij denkt aan een oude uitdrukking waar hij de oorsprong niet van weet: "Murphy is een optimist…" Hij moet toch eens uitzoeken waar die uitdrukking vandaan komt; als hij daar ooit nog de kans toe krijgt. Hij buigt zijn hoofd voorover, zowel om te zien waar hij zijn voeten zet, als om zijn ogen beschermen tegen de regen. Zo stapt hij voort achter zijn gids. Zij kent de kaart beter, en het lijkt wel haar tweede natuur, om haar weg te vinden in een landschap zonder richtingaanwijzers, of zelfs maar paden. Hier en daar is wel een pad, maar veel zijn er niet; en zeker niet aaneengesloten.

Hoofdstuk ZES

Hoewel hij de meeste binnen door weggetjes kende, meed Henry de kleine steegjes en verlaten binnenplaatsen. In plaats daarvan, bracht hij onnodige uren door in files. Hij was erg geduldig. Het was zeker veiliger om zo veel mogelijk onder de mensen te blijven. Daar zou hij niet zo snel worden gearresteerd door geheime agenten in burger. Omstanders zouden dan de gewone politie waarschuwen. En de Geheime Dienst, als het inderdaad de GD was die achter hem aan zat, probeerde zijn naam eer aan te doen en bleef het liefste geheim. Ze opereerden het liefst in het onderbewustzijn van de bevolking. Ze waren er, maar je zag ze nooit. Ze deden ook nooit iets; althans daar leek het op. Nu hadden ze Charly omgebracht. Hoe zou dat in de krant komen? Misschien zou de oorzaak van zijn sterven wel nooit in de krant komen.

Eindelijk kwam hij bij de afslag die hij hebben moest. Zijn moeders magnauto was een oud model, maar het werkte perfect als het nodig was. En nu was het nodig. Hij stuurde het voertuig de straat in, en bleef maar in zijn spiegels kijken. Niemand volgde hem. In ieder geval niet iemand in een grijze magnauto. Echter, voor het huis waar Charly had gewoond zag hij wel een grijze magnauto. Henry vloekte, 'heb ik toch te lang in de file gestaan? Zijn ze me een stap voor?' Langzaam reed hij verder. Ze waren hem niet voor. Deze magnauto was privé bezit, bevestigd door de twee oudere mensen die ieder twee koffers uit de achterbak haalden. Henry parkeerde zijn magnauto. Hij liet hen uiteraard voldoende ruimte verder uit te laden. Hij stapte uit en liep langzaam in hun richting.

"Sorry," begon hij, "weet u iets over Charly Weaver?"

"Nou," zei de vrouw, "voor zover ik weet woont hij hier. Maar nu zult u me moeten verontschuldigen. Ik ben drie weken met vakantie geweest en ik snak naar mijn eigen bad." Daarmee liep ze verder naar de voordeur.

'Ze weten het nog niet…' dacht Henry. Ineens scheen de man zich iets te herinneren. Hij liet zijn vrouw naar binnen gaan en richtte zicht tot Henry:

"Charly is er niet?"

Henry schudde zijn hoofd.

"Hm, dan is hij misschien bij zijn vriendin. Ik geloof dat ik haar adres wel weet. Laat me even denken… Ja..."

Hij noemde een straat die niet zo heel ver weg was. Henry bedankte hem en hield het nieuws van het overlijden van Charly voor zich. Ze zouden er nog wel eens achter komen. Hij sprong in zijn magnauto en reed weg. Hij was niet blij met keer op keer doorgestuurd worden, maar het was niet anders. En dit was alleen nog maar het begin van de zoektocht. Hij had geen vermoeden waar die hem zou brengen! Henry hoopte dat de grijze heren nog niet bij de vriendin van Charly waren geweest. Het echtpaar kon hen in ieder geval nog niet door gestuurd hebben.

Net voordat hij de bocht aan het eind van de weg nam, zag hij een grijze magnauto tot stilstand komen, daar waar de zijne net had gestaan. Zijn hart sloeg een paar slagen sneller, en het snelheidspedaal van zijn magnauto ging een stukje dieper de vloer in. Hij was ze net voor, en was van plan dat te blijven! Hij kwam al snel bij het adres aan. Een jonge vrouw opende de deur, en bevestigde de vriendin van Charly te zijn. Ze heette Ellen. Henry ging naar binnen, en naar haar kamer boven.

"Je bent zijn leraar, klopt dat? De gene die hem vond…" vroeg ze.

Hij bevestigde dat, en vertelde haar alles wat hij wist over de grijze mannen. En over zijn vermoeden dat ze GD waren.

"Ja, dat zijn ze inderdaad," zei Ellen. "Toen ik vier avonden geleden naar Charly ging, vertrokken zij net toen ik er aan kwam. Ik was nog net in de schaduw dus ik stopte, en keek. Allereerst herkende ik hun magnauto. Er zijn er maar een paar van zulke in privé bezit. Maar toen ik naar boven ging…" Het was Henry niet ontgaan hoe ze het over 'vier avonden' had; haar dagen waren zeker lang, en de nachten eindeloos…

Ze huiverde en er rolde een traan over haar wang. "Charly had al een kleine week een beetje een vreemde bui. Alsof hij een geheim had. Hij verborg het zelfs voor mij! Ik zou het aan niemand verteld hebben…!"

Ze slaakte een diepe zucht, alsof zie van binnen iets tot rust moest brengen voor ze verder kon gaan. "Toen ik boven kwam was Charly helemaal wild. Al zijn spullen lagen over de vloer en Charly lag te huilen op bed. Dat was voor het eerst dat ik hem heb zien huilen; en we zijn twee jaar bij elkaar! Door zijn snikken heen bleef hij maar mompelen dat 'ze er achter waren gekomen, dat ze dit gedaan hadden' en dat 'ze het niet moesten krijgen,' wat 'het' ook moge zijn."

Ze pauzeerde, en keek naar Henry alsof hij meer zou weten. En hij wist wat 'het' was. Hij vertelde het haar in korte zinnen.

"Waarom zou de GD er achteraan zitten?" vroeg ze verwonderd.

"Tja, als ik dat wist…" zei Henry. "Maar ze zijn er nogal hard naar opzoek! Ze weten dat ik het heb en ze zitten niet zo ver achter me. Weet jij waar ik heen zou kunnen gaan? Ik wil ook de andere delen vinden…"

Ellen vloekte. "Sukkel! En dat vertel je me nu pas? De GD zit vlak achter je en je komt hier met je verdomde boek! Jezus, je lijkt wel gestoord! Waarom geef je ze niet gewoon het boek en zorg je dat je veilig bent?!"

"Wil je niet weten wat voor boek de moeite waard is om voor te moorden?" verdedigde Henry zich.

Ze werd stil. Ze dacht. Langzaam kwam er op haar gezicht een uitdrukking van begrip, en daarna eentje van vastberadenheid. Ze knikte en zei: "Allereerst moeten we op de grote wegen terecht komen, en daar blijven tot we een plan hebben. Je magnauto staat voor de deur?"

Terwijl Henry knikte ging de bel. Ze wachtten in stilte. Niet lang nadat het een tweede keer was gegaan deed de hospita open. De stemmen bij de deur waren boven verstaanbaar, en Henry en Ellen verstijfden. "GD," zei Ellen overbodig. Maar haar hospita was betrouwbaar. Met haar hoge scherpe stem zei ze:

"Jij?! Een vriend van Ellen? Ellen heeft geen vrienden in pak, en zeker niet in een lelijk pak als de jouwe! Daarbij ken ik je niet. En je hoofd staat me niet aan, dus Ga Verdomme Van Mijn Tuinpad Af!"

Daarmee sloeg ze de deur dicht, deed hem op de knip, en kwam naar boven.

"Ellen," zei ze nog voor ze de kamer binnen kwam, "Die mannen die je niet wilde… Oh, hallo!" Onderbrak ze zichzelf toen ze Henry zag.

"Het is goed Mo, dit is de leraar van Charly. Een vriend in deze."

"Oh, nou ja, die mannen die je me beschreef staan bij de voordeur."

"Dat weet ik Mo. En we moeten hier weg. Ik weet nu waarom Charly werd vermoord. Het was vanwege iets dat hij had. En Henry heeft het."

Mo slaakte een zucht van schrik. Ellen ging onverstoord verder: "Ik ga ervan uit dat ze de deur goed in de gaten houden. Zou je Harry kunnen vragen de magnauto van Henry naar de winkel achter te rijden en ervoor te zorgen dat hij niet wordt gevolgd?" Mo knikte, en nam de sleutels aan van Henry. Toen ze weg was vroeg Henry: "Is dit het beste plan dat je bedenken kon?"

"Oh ja," zei Ellen. "Harry lijkt wel oud maar hij was rally rijder toen hij jong was. Hij kan nog steeds goed rijden, vertrouw me maar."

Ellen liep naar de hoek, en pakte twee flessen die ze vulde met water. Uit een kast haalde ze twee pakken energie koekjes. Henry kende die. Een volwassene kon twee dagen leven op een pakje.

"Nu zijn we klaar voor vertrek. Vertel me eerst waar je het boek hebt." Vroeg Ellen.

"In mijn magnauto," zei Henry, en voelde zich dom.

Ellen kon een beetje sarcasme niet nalaten: "Ja, dat is op het moment inderdaad één van de verstandigste plekken om het te bewaren!" Ze legde de nadruk op verstandig.

Ze ging terug naar de kraan en dronk wat water. Henry volgde haar voorbeeld en vroeg: "Weet je hoe ze Charly vermoord hebben?"

"Echt op zijn GD's. Ze hebben een klein apparaatje in zijn rug gedaan dat met zijn zenuwen in verbinding stond. Dat ding verwijderen zou hem meteen hebben vermoord. Waarschijnlijk hebben ze er een klok in verwerkt, zodat zijn hart op een bepaalde tijd zou stoppen. Waarom dat tijdens jouw les moest gebeuren snap ik ook niet…"

"De politie zei dat zijn lichaam was verdwenen. Denk je dat de GD er eerst was?"

"Dat denk ik niet. Normaal gesproken laten ze de politie alle rot klusjes op knappen. Als ze het nodig hebben kunnen ze altijd het lichaam onderzoeken in het mortuarium."

"Waarom weet jij zoveel over de GD?"

"Ik ben doctorandus in de criminologie. Daarna ben ik me erin gaan specialiseren, en ik was goed in mijn werk. Ik solliciteerde bij de GD. Die leidde mij verder op; ik was goed genoeg. Maar net voor mijn examen werd ik eruit geflikkerd. Ineens wilden ze alleen maar Afrikaanse mannen hebben. Ze dachten dat die minder op zouden vallen. Ik denk dat dat onzin is op internationale missies."

Henry vroeg: "Weet je dan misschien ook wat er met Charlys lichaam is gebeurd?"

"Nee." Maar een licht in haar ogen, verraadde dat ze wel een idee had. Op dat moment werd er op het raam geklopt. Een oudere man stond aan de andere kant. Ellen deed het raam open en hielp hem naar binnen.

"Dank je Harry, je hebt weer eens mijn leven gered."

"Ik word te oud om rally's te rijden. Vooral in een oud geval als dat van jou!" Harry wees beschuldigend naar Henry. "Zo langzaam rijden maakt me nerveus, en dat is slecht voor mijn hart," zei hij er gemaakt boos bij. Henry had nog nooit de topsnelheid van zijn moeders magnauto geprobeerd. Zou deze oude man werkelijk zo snel hebben gereden? Ellen lachte, en bedankte hem met een kus op zijn voorhoofd. Toen beduidde ze Henry haar het raam uit te volgen. Het laatste wat ze hoorden voordat Harry het raam achter hen dicht deed, was het rinkelen van de deurbel. Harry draaide zijn hoofd om te luisteren. Even later liet hij zijn duimen zien; omlaag.

Meteen rende Ellen weg, en Henry volgde haar. Bij de rand van het gebouw sprong ze zonder aarzelen naar beneden. Henry aarzelde wel. Het was maar één verdieping, dat had hij eerder gedaan. Maar nu was er geen gras beneden. Ellen wachtte niet op hem, ze keek niet eens of hij wel achter haar aan kwam. Als hij wilde leven moest hij wel springen. Hij landde netjes met beide voeten op de grond, en sprintte achter Ellen aan.

"Welke is van jou?" vroeg Ellen, toen ze op de hoofdstraat liepen.

"Deze," zei Henry even later, en hij stopte om in te stappen. Ellen trok hem een winkel in.

"Eerst even om ons heen kijken," fluisterde ze. Ze kochten iets nutteloos, en gingen weer naar buiten. Zogenaamd ontspannen liepen ze naar de magnauto, terwijl ze toch scherp om zich heen keken. Geen grijze magnauto, en geen zwarte mannen in grijze pakken in de buurt. Het leek te mooi om waar te zijn.

"Ze kunnen natuurlijk een traceer zendertje in de magnauto verstopt hebben. Maar we kunnen de magnauto nu niet uit elkaar slopen om het te vinden, en dat ding kan praktisch overal zitten. Dat risico moeten we maar nemen."

Daarmee stapten ze in, en reden weg.

"Waarheen?" Vroeg Henry.

"Naar de snelweg, maakt niet uit waar. Hier naar links…" Ellen wees hem de weg. Vlakbij de snelweg zag Henry een grijze magnauto in de spiegel. Ellen keek om en zei: "Dat kunnen ze zijn. Ondertussen zit er vast meer dan één eenheid achter ons aan." Toen Henry de oprit naar de snelweg op wilde zei ze: "Rij door. Neem de oprit aan de andere kant. Tegen het verkeer in en als je boven bent maak je een Uturn."

Henry keek haar verbaasd aan. Op die manier zouden ze ook de politie achter hen aan krijgen. Toch deed hij wat ze zei. De grijze magnauto ging niet achter ze aan. Maar ze werden achtervolgd door een groene magnauto met blauwe zwaailichten. Het lik op stuk beleid voor dit soort misdrijven was streng. Maar ze zouden nooit sneller hebben gekund dan de grijze magnauto, en wat was op dit moment belangrijker? Niemand kwam meer om omdat ze geen geld hadden. Henry verloor een aantal privileges voor de komende maand, maar alle regeringsfaciliteiten bleven voor hem open. Die werkten niet met geld.

Toen de politie hen stopte verzon hij geen stomme smoesjes. Hij zei sorry en betaalde de boete. Dat was het eenvoudigste. Een tweede misdrijf zoals deze zou hem zijn magnauto kosten. Nu reden ze langzaam met de file mee. Terwijl ze in grote cirkels door de stad reden wisselden ze nog meer informatie uit.

Henry vroeg: "Heb je enig idee waar het boek vandaan komt?"

"Ik wist niet eens dat het boek in Afrika was!" Beet Ellen van zich af. Voor Henry werd het duidelijk. Ze zou het hem niet vertellen. Toch moest hij het nog een keer proberen.

"Dat klinkt alsof je wist dat het bestond…"

Ellen bleef stil. Even later zei ze: "Het enige houvast dat we hebben is Charlys lichaam…"

"Maar dat is verdwenen, weet je nog," Henry kon haar gedachtegang nog niet volgen.

"Maar de universiteit heeft toch beveiligingscamera's? Die zouden toch iets moeten hebben opgenomen…"

"Maar die banden kan ik niet bekijken, en ik ken niemand die dat wel kan."

"Ik wel, denk ik. Ken je Henk? Hij is van de bewaking. Ik ken hem redelijk goed. Ik denk dat hij ons wel zou laten kijken. Of op zijn minst vertellen wat er op staat…"

Henry dacht. Henk? Ja, die kende hij wel. Die was er trots op Amerikaan te zijn. Hij was nogal eigenwijs, en weigerde pertinent de regels een beetje flexibel te hanteren. Hoe dacht Ellen dat te…

"Ho eens even," zei hij, "Ben jij Amerikaan?"

Ellen zetten een streng gezicht op. "Ik vertel je alleen wat je moet weten voor onze zaak, oké? Met bijzaken hoef jij je niet te bemoeien. Waarom ik je help is ook niet van belang."

Zonder nog een woord te wisselen reed Henry naar de universiteit. Op de parkeerplaats waren te veel grijze magnauto's om ze allemaal te onderzoeken. Maar Ellen, specialist als het om de GD ging, was erg ontspannen. Henry maakte zich dus geen zorgen. Toen hij de magnauto bij de ingang parkeerde vroeg Ellen: "Heb je een koffertje? Neem het boek mee en hou het ten allen tijde in de gaten!"

Henry deed het boek in zijn leren aktetas, en volgde haar naar binnen. Henk was aan het werk en groette hen hartelijk. Eindelijk vroeg hij: "Maar wat brengt jullie hier?"

"We zouden graag naar de video's kijken van toen Charly verdween," zei Ellen gewoontjes.

Henk zei: "Dan ben je te laat. Een klein uur geleden waren hier wat mensen die de band bekeken, en nu is-ie leeg."

Henk glimlachte terwijl Ellen en Henry hem teleurgesteld aankeken. Hij leek te genieten van de aandacht, en hield de spanning langer vast dan nodig was. Eindelijk zei hij:

"Maar ik was erbij toen ze het keken." En Ellen en Henry slaakten een zucht van verlichting.

"Ik heb alleen geen idee waar het lichaam van Charly nu is, maar ik denk dat ik weet waar het naar onderweg is."

"Wie heeft het?" Vroeg Ellen.

"Ken je Brad? De Shin… nou ja, uhm," zei Henk, met een vlugge blik op Henry. "Hij heeft hem."

"Maar Brad en Charly horen niet bij dezelfde groep!"

"Maar ze zijn wel van dezelfde stam, en die willen natuurlijk het lichaam hebben. En ze willen het boek terug. Wat de TC heeft gedaan is een grote schande voor hun stam. Vooral nu…"

Henry had nauwelijks en idee waar ze het over hadden. Ja, ze spraken zijn moedertaal, maar de stammen en groepen kende hij niet. Ze waren nu stil. Henry vroeg:

"Waarom gaan we niet achter Brad aan?"

"Goed idee," zei Ellen. "Eerst moet ik even bellen. Henk, kun jij even op Henry passen? Hij is errug waardevol voor ons…"

Alsof ze het over een klein kind hadden, in plaats van over een professor in de Geschiedenis! Henk knikte, en Ellen haastte zich weg.

"Brad opsporen is niet zo eenvoudig, weet je? Hij wil niet gevonden worden, en de GD zit ook achter hem aan. Jij zit echter in de meest precaire situatie; niet alleen de GD zit achter je aan. En je hebt alleen de TC die je helpen kan. Maar we zijn niet zo groot en invloedrijk als sommigen wel denken…"

Henry was al gauw de draad van het verhaal kwijt. "Wie zit er dan nog meer achter me aan?"

"Wie? De Protectors natuurlijk!" Henk vond dat duidelijk een domme vraag, maar Henry wist nog steeds niets. Hij probeerde het op een andere toer: "Wie zijn de TC?"

"Wat? Weet je dat niet? Shit. Ik heb al teveel gezegd! Het voorgaande heb ik niet verteld, beter nog, je hebt het nooit gehoord! Onthou dat!"

En daarmee hield hij zijn mond. Wat Henry ook probeerde, Henk was vastberaden niets meer te vertellen. Na een paar minuten zei hij alleen: "Verdomme, waar blijft Ellen toch? Dat is een lang gesprek…"

Een grijze magnauto reed naar de ingang. Henry verstijfde. Drie grijze mannen stapten uit en liepen naar de ingang van de school. Henk was de eerste die in actie kwam. Hij pakte het koffertje en stopte die in de brandkast die hij op slot deed. Henry zag een sticker op de deur van de brandkast met de tekst: "Het beveiligingspersoneel heeft geen toegang tot deze brandkast". Henry wilde wegrennen, maar Henk zei dat dat nutteloos was. Hij zou eenvoudig te volgen zijn via de veiligheidscamera's. "Daarom zijn er altijd drie mannen in een GD auto. Zodat er eentje achter kan blijven, om de andere twee per radio in te lichten over jouw locatie."

De drie kwamen naar binnen, herkenden Henry, liepen naar hem toe, en namen hem mee met een minimum aan woorden. Ze stopten hem in hun magnauto en reden weg.

Op dat moment kwam Ellen terug. "Waar is Henry?"

Henk zei niets. Hij wees slechts naar één van de schermen waarop een grijze magnauto de parkeerplaats verliet.

Hoofdstuk ZEVEN

Ze namen hem mee naar een deel van de stad dat Henry niet kende. Ze namen hem mee in een gebouw waar hij nog nooit van gehoord had. Ze brachten hem naar een kamer, die hij alleen maar van de film kende. Het was een verhoorkamer. Kale muren, een tafel, drie stoelen en een felle lamp. Ze zetten hem op een stoel en twee mannen gingen aan de andere kant van de tafel zitten. De derde verdween.

"Weet je hoe belangrijk het boek is?" Vroeg de één.

"Wat voor een boek?" Henry deed onschuldig maar hij wist dat hij een slecht acteur was.

"Hou ons niet voor de gek! Dat plastic boek dat je de afgelopen 27 uur met je mee hebt gesleept."

Was het pas 27 uur? Het leek alsof hij al een week voortvluchtig was. Henry probeerde zorgvuldig om te gaan met zijn woorden, maar na een dag rond racen was zijn concentratie niet meer optimaal.

"Ik weet alleen dat het heel kort voor de Grote Verandering is gedrukt; korter dan alles wat tot noch toe is gevonden, en dat maakt het behoorlijk belangrijk. Uit puur historische interesse ben ik op zoek naar deel zes. Sinds wanneer is archeologie een misdaad?"

"Waarom loop je dan voor ons weg? Wij kunnen je een kopie geven van deel zes."

Henry zag dat ook zijn verhoorder een slecht acteur was; hij loog. "Ik dacht niet dat dat zo'n goed idee was, nadat jullie Charly hebben vermoord."

"Ah… Charly," zuchtte de man. "We hebben met hem te doen. Wij hebben hem niet vermoord. We weten dat niet zeker door wie wel hij is vermoord, aangezien we nog geen kans hebben gehad zijn lichaam te onderzoeken. We denken dat de moordenaar hem mee heeft genomen."

Plotseling herinnerde Henry zich de brief die hij die morgen ontvangen had, en vroeg ernaar.

"Heeft u mij die brief gestuurd?"

"Wat denkt u wel dat wij voor een organisatie zijn? Dat wij onze verdachten waarschuwen dat we eraan komen?"

Voor de man leek de zaak daarmee afgedaan. Henry bleef zich afvragen wie hem die brief dan gestuurd had. Hij vroeg het opnieuw.

"Tja, het kunnen de Protectors zijn; die maken ook jacht op het boek. Wij wisten al voordat de post bij u kwam dat de vingerafdruk van u was..."

Henry was de draad alweer kwijt.

"Wie zijn de Protectors?" vroeg hij daarom.

"U weet duidelijk maar heel weinig van het wespennest waar u zich in gewerkt heeft! Laat ik u daarom maar het hele verhaal vertellen. Houdt u vast, want dit zal nogal schokkend zijn voor u."

Hierop nam de man een slok water, schraapte zijn keel en begon te vertellen.

"De oude Amerikanen logen tegen de wereld. Het verhaal over de Aliens was niet waar. Ook wij weten de hele waarheid niet, niemand hier kent die. Maar we weten vrij zeker, dat de ontmoetingen met de aliens die ze op TV uitzonden, studio opnames waren. Vindt u het ook niet vreemd, dat de Aliens alleen maar in de Verenigde Staten landden? Nou ja, we hebben meerdere redenen om aan te nemen dat het niet waar was. Wat we zeker weten is dat de waarheid in deze boeken, en in een handgeschreven document staat. Het verhaal gaat, dat dat laatste geschreven is in de eerste jaren van de Grote Verandering. Wat we vermoeden is, dat de waarheid zo schokkend is, dat het de stabiliteit van de wereld in gevaar zou brengen. We zouden terug gaan naar een wereld van algehele oorlog. Dat zou u toch niet willen of wel soms?"

Henry schudde zijn hoofd. Hij kon nauwelijks geloven wat hij net had gehoord. Hoe kon één natie, met de vrijheid van persdruk en vrijheid van meningsuiting, tegen de rest van de wereld liegen? Hoe kan dat mogelijkerwijs verborgen zijn gebleven? Het leek te onwaarschijnlijk om waar te zijn. Maar toch, wat als…?

"Tegenwoordig zijn er twee groepen in Amerika. De Protectors – nog altijd in de meerderheid – die de waarheid willen beschermen zoals die is, en de Truth Clan. De TC groeit gestaag, en heeft aanhangers in alle stammen. Charly was TC, en we hebben het apparaatje in hem geplant om zijn bewegingen te volgen. Dit in de hoop een overzicht te krijgen van de TC die hier aanwezig is. Helaas pleegde hij zelfmoord. Of misschien, uit zelfbescherming, heeft iemand vanuit de TC hem vermoord."

'Of misschien was Charly een grote binnen de TC geweest, en hebben de Protectors hun kans gegrepen…' dacht Henry bij zichzelf.

Plotseling gingen alle lichten uit. Boven de deur ging een zwakke EXIT lamp aan. Eén man ging naar de deur en vertrok. Het moment dat de deur open was, zag Henry dat het daar een puinhoop van mensen was, die verward heen en weer renden. Een konijn met de dood bedreigd, rent het hardst. Henry pakte het glas water dat ze hem hadden gegeven van tafel. Hij dronk het leeg, en sloeg het stuk op de tafel. Onmiddellijk schoot zijn hand uit en stak het scherpe glas in de keel van de agent. In de roos. Hij nam de pet die de man op tafel had liggen, zette het op zijn hoofd en liep naar de deur. Hij keek even om naar het lichaam, dat nu op de grond lag te gorgelen.

Een seconde later was hij door de deur, in de menigte. Hij zocht een andere EXIT lamp, vond die en liep erheen. Hij kwam in een andere kamer, vond daar de volgende EXIT lamp en snelde erheen. Toen was hij plotseling op de brandtrap. Twaalfde verdieping. Hij voelde zijn maag ineen krimpen toen hij beneden de speelgoed magnauto's zag rijden. Zo snel als hij kon rende hij de trap af. Hij werd duizelig van het gedraai, maar wilde niet van rusten weten. Alle ramen van het gebouw waren zwart. Buiten was het donker geworden, dus niemand zou hem zien. In het ergste geval, zouden ze binnen het geluid van zijn voetstappen op de trap horen, maar hij hoopte dat er genoeg lawaai was om dit te voorkomen.

Toen hij aan de laatste verdieping begon, gingen alle lichten weer aan. Paranoia als de GD bleek te zijn, was zelfs de brandtrap fel verlicht. Binnen zou het leven snel weer zijn normale gang weer gaan, en het zou niet lang duren voordat ze de dode agent vonden. Nu kwam het aan op snelheid. Bij de laatste draai, halverwege de verdieping, sprong hij zonder te kijken over de trapleuning. Recht in een afvalcontainer. Henry vloekte, nu kostte de sprong alleen maar meer tijd dan lopen.

Toen hij uit de container was geklommen, rende hij in de richting van de voorkant van het gebouw. Eenmaal daar aangekomen, zag hij zijn moeders magnauto staan. Hoe kwam die hier? Zonder al te veel aandacht op zich te vestigen, liep hij in de richting van de magnauto. Toen hij er vlak naast stond ging plotseling de passagiersdeur open.

"Snel, stap in!" Zei iemand met gedempte stem. Ellen. Hij stapte in, en de magnauto begon meteen te rijden. Hij keek naar de bestuurder, en daar was Harry. Henry vroeg zich af, waarom en hoe. Maar in deze vertrouwde omgeving, viel ineens alle spanning van hem af, en sloeg de vermoeidheid toe. Al gauw veranderde het ritme van passerende straat lantarens in een droom.

Toen hij wakker werd, was het nog steeds donker, maar de magnauto stond stil. Ellen en Harry waren weg. Hij keek om zich heen, en zag dat ze voor een restaurantje geparkeerd stonden. Een andere omgeving waar hij nooit was geweest. Langzaam kwamen herinneringen terug. De TC had Charly vermoord? Ellen? Wat wilde ze nu nog van Henry? Ze hadden het boek nu toch?

Henry probeerde de deur. Die opende, en hij ging naar buiten. De nacht was koel. Henry huiverde, deed de deur dicht en liep naar het restaurantje. Ellen en Harry zaten met een man in een grijs pak te praten. Henry wilde wegduiken, maar hij was te laat. Ze wuifden naar hem. Pas toen zag hij dat de man in grijs een blanke was. Henry dacht bij blanken eigenlijk altijd in eerste instantie aan Europeanen, wat hij nu een vreemde gewoonte begon te vinden. Misschien wel vanwege zijn eigen half Europese achtergrond. Dat zou hij toch eens moeten aanpassen, want toen hij werd voorgesteld aan deze man realiseerde hij dat hij de afgelopen twee dagen met meer Amerikanen had gepraat dan met Europeanen. Dit was Brad. Een grijs pak was een behoorlijke dekmantel.

"Dus," vroeg Henry, "praat ik nu met drie Amerikanen?" De vraag was gericht tot Harry. Hij was dan ook de gene die antwoordde met een diepe lach.

"Ik denk dat hij een vermoeden begint te krijgen. Ja, het hangt er van af hoe je het bekijkt. Ik ben hier met mijn ouders komen wonen. Ik ben Ellens grootvader. Ellen is nooit in Amerika geweest, maar er stroomt wel puur Amerikaans bloed in haar aderen. Brad woont hier niet. Hij kwam hier met een missie; het boek terug vinden dat Charly had, en ik heb hem beloofd hem te helpen met zijn zoektocht. Ook al weet ik niet waar het is. In ruil daarvoor, stond Brad net op het punt ons te vertellen, waar hij Charly heen aan het brengen was…"

Henry wist nu dat hij zijn mond moest houden over het boek. Dat was de enige manier waarop ze te weten konden komen waar het lichaam van Charly was. Niet dat Henry enig idee had waar die wetenschap nuttig voor was, maar hij wilde zijn redders niet in de wielen snijden.

"Naar huis," was het enige dat Brad aanvankelijk zei.

"En dat is?" vroeg Harry.

"Washington D.C." De enige stad die nog in Amerika stond, wist Henry. Elke stam die in Amerika leefde, woonde om de beurt een jaar in Washington D.C. Hier stond de meest heilige tempel, erkend door alle stammen. Geen buitenlander had het ooit gezien, maar het verhaal ging dat het een groot wit gebouw was.

"Nog altijd?" vroeg Harry weer.

"Ja. Omdat het boek verdween, moeten we de stad blijven onderhouden tot het terug komt," zei Brad. En dat betekende een echte straf, want een stam leefde op zijn reserves terwijl ze in Washington waren. En die reserves konden op raken. Er kwam eten voor Henry, en terwijl hij at werd er niets bijzonders meer gezegd. Toen hij het op had, betaalde Harry voor het gebruikte voedsel. Daarna stapten Harry, Ellen en Henry in de ene magnauto, Brad in die ernaast. Pas toen ze eindelijk van de parkeerplaats af waren vroeg Henry zich hard op af:

"Er is veel werk verricht in de paar uur dat ik bij de GD was. Hoe en waarom?"

Ellen zei met een niet zo vriendelijke stem: "Slimmerik! We hebben jou nodig om het boek dit jaar nog uit je koffertje te krijgen! Een tien cijferslot op een titanium koffer… Waar was dat in Godsnaam voor nodig?!"

Henry had er niet over nagedacht toen hij het boek erin stopte, maar waarschijnlijk had dat hem zijn leven gered. Hij onderdrukte een glimlach, en mompelde een verontschuldiging, maar hij voelde zich niet echt schuldig.

"Toen we de lichten uit deden was je een beetje traag. Dertig seconden later, en we zouden zonder je zijn vertrokken." zei Ellen erachteraan.

Op iets vriendelijker toon zei Harry: "Maar we zijn blij dat je überhaupt kwam!"

Harry vloekte plotseling terwijl hij in de spiegel wees. Ellen draaide zich om, en ook Henry keek naar achteren. Er kwam een magnauto met zwaailichten van achter aan racen.

"Waarom geef je geen gas?" Gilde Ellen.

"Omdat dit een te oud machientje is. We kunnen ze nooit afschudden." De politie stopte hen niet, maar scheurde langs, op weg naar een onbekende bestemming. Ze slaakten alle drie een zucht van verlichting.

Pas vlak voordat ze aankwamen, realiseerde Henry zich waar ze heen gingen. Naar zijn moeder. Er moet een telefoon nummer, of een adres in de magnauto hebben gelegen. Maar waarom zijn moeder? Waren ze helemaal gek geworden? Was dit echt de veiligste plek om naar toe te gaan? Hij stelde deze vragen hardop.

Harry antwoordde: "Ja, dat is het inderdaad. Ze praat zoveel, dat de GD haar niet interessant acht voor informatie. Voor een klein beetje informatie van haar kant, heb je op zijn minst een uur nodig. En in dat uur hoor je ook nog een heleboel niks. We zijn in ieder geval de rest van de nacht veilig; en waarschijnlijk ook wel de vroege morgen. We moeten een plan bedenken voor die tijd."

Een plan waarvoor, vroeg Henry zich af? Hij was nog steeds erg nieuwsgierig naar de andere boeken, maar die twee voorin? Was het niet veiliger voor hen – en misschien wel voor de hele TC – om een beetje op de achtergrond te blijven voor een tijdje? En ze wisten waar het lichaam van Charly naar onderweg was, dus wat wilden ze nog meer?

OP DROGEN

Ze hebben het gehaald, en het heeft de hele tijd geregend. Drijfnat, rillend en snotterend, hebben ze de vlakte met de tenten gevonden. In het midden van de vlakte staan nog een paar gebouwen; de enige overblijfselen van wat eens een glorieuze stad was. Nu, vanwege gebrek aan onderhouds-mogelijkheden is alleen nog het meest centrale gebouw – uit overlevering een stralend wit gebouw – veilig genoeg om in te wonen. Het is veiliger in tenten te wonen.vNa een lange dag van voorbereidingen treffen, eten de mensen een snel bereidde maaltijd. Sommigen zijn al onderweg naar bed, wanneer het bericht komt dat er twee vreemdelingen aan komen. Niemand verwacht gasten, maar gegeven de situatie lijkt oorlog ook erg onwaarschijnlijk. Daarbij, het zijn er maar twee. Tegen de tijd dat de vreemdelingen het kamp binnen lopen, is er een groepje hoog geplaatsten klaar om uit te zoeken wie zij dan wel zijn. Het zijn inderdaad vreemdelingen. Niet eens van een andere stam of familie, maar van de overkant van het grote water. In ieder geval de man. De vrouw krijgt weinig aandacht. Aanvankelijk leek zij niet op een buitenlander, en vrouwen worden nou eenmaal niet zo belangrijk geacht in deze omgeving. Als ze ontwapend zijn krijgt hij de meeste aandacht. Er komen hier niet zoveel buitenlandse bezoekers, en iedereen wil weten wat, waarom en hoe. vEenmaal ontspannen rond het vuur, in warme, comfortabele en bovenal droge kleren worden ze overmand door slaap. Halverwege hun verhaal vallen hun ogen dicht. Hun gastheren schamen zich hier nogal voor. Goede gastheren weten wat hun gasten nodig hebben; maar door de spanning rondom hun aankomst is die etiquette overgeslagen. En het doet hen de pijn van een dolende ziel even vergeten.

Alsof de Goden hen eindelijk gehoord hadden verdwijnen de wolken de volgende morgen. De man en vrouw krijgen daardoor veel tijd voor zichzelf. Nu het zonnig is, gaan de voorbereidingen in alle hevigheid door. Iedereen is druk. Behalve de gasten. Want zij zijn nou eenmaal gasten. Ze moeten met respect behandeld worden, maar ze zijn geen lid van de stam. Dus weten ze niet wat er gebeuren moet, en ze zijn sowieso niet welkom op het heilige ceremonie veld. Dit is de laatste dag van de voorbereidingen.

De man en de vrouw wandelen door het kamp. Ze passen goed op dat ze weg blijven bij de kring van stenen gebouwen. Daar binnen mogen ze niet komen, en dat weten ze. Terwijl ze rondwandelen, komen ze langs een kleine groep ouderen die hen roept. Ze gaan erheen, en praten wat over koetjes en kalfjes, het weer, en dat het wel magie lijkt dat buitenlanders hun weg kunnen vinden in dit open en verlaten land. Uit beleefdheid krijgen ze wat eten aangeboden wat ze, op hun beurt beleefd, weigeren. Ze wandelen weer verder.

"Toch is het vreemd," zegt de vrouw, "dat niemand ook maar het minste heeft gevraagd over wanneer we weer denken te vertrekken."

"Wie weet vermoeden ze iets…"

Hoofdstuk NEGEN

Henry schrok wakker van het geluid van de krant die door de brievenbus gleed. Hij had drie uur geslapen, maar hij voelde zich klaar voor 48 uur sporten. Hij liep naar de deur, raapte de krant van de mat, en begon de koppen te snellen. Hij verstijfde. "Gezocht voor moord" stond er met zijn foto eronder. Snel las hij het artikel: 'Johnnsburg - Afgelopen nacht is rond kwart voor twee de succesvolle bankier John Smith vermoord. Vingerafdrukken hebben uitgewezen dat het gedaan is door een zekere H. Na de keel van dhr. Smith te hebben doorgesneden met een gebroken glas, brak H. de lege kluis open. Informatie die leidt tot de arrestatie van…' Henry stopte met lezen. De leugenaars! Maar ja, hoeveel weten er de waarheid? Vanwege dit bericht, had de universiteit hem waarschijnlijk al ontslagen. Maar hij had daar toch niks te zoeken. Ellen kwam achter hem staan. Ze las de kop, zag de foto, en vroeg met een vriendelijker stem dan gisteren: "Heb je hem vermoord?"

Henry knikte.

"Goed zo. Hij was een hoge pief, en voor een groot deel verantwoordelijk voor mijn ontslag."

"Je kende hem?" Henry vroeg.

"Ja, en haatte de klootzak! Hij kon zijn handen maar niet van me af houden; hij heeft iets met blanke vrouwen. Maar toen ik klaagde bij zijn meerderen, kreeg hij het voor elkaar me te ontslaan!" Ze vulde de theepot met water, en deed er wat theeblaadjes bij. Daarna zei ze: "Maar nu hebben we wel een probleem. Elke agent in de wereld is tegen het eind van de dag naar je op zoek. Ik weet maar één plaats waar ze geen agenten hebben…"

"En die is?" Henry vroeg verbaas. Geen politie? Bestond dat?

"Amerika."

Natuurlijk, daar hadden ze hun eigen vreemde vorm van beveiliging, maar die werkte niet samen met de Afrikaanse politie.

"Maar daar kan ik tot het eind van dit decennium niet meer naar toe."

"Wat? Ben je daar al drie keer geweest? Hm…"

Ze dronken hun thee in stilte. Niet lang daarna kwam Harry erbij zitten. "Waarom zo somber?" Vroeg hij. Henry en Ellen wezen tegelijkertijd naar de krant. Terwijl hij las versomberde zijn gezicht. Daarna zei hij: "Twee plaatsen waar je heen kunt."

Henry schoot overeind. Twee plaatsen? Was er dan toch hoop, of…?

Harry onverdroten verder, zonder veel enthousiasme in zijn stem. "Naar Amerika, of naar waar Rusland eens was, maar dat laatste lijkt me geen fijn plan…"

Toen hij het woord Rusland hoorde, was Henry meteen niet meer zo opgewonden. Ongeveer vijftig jaar voor de Grote Verandering stortte de wereld economie plotseling in, en Rusland kon zichzelf niet meer bedruipen. Ze waren nooit werkelijk over hun opstand tegen het Amerikaanse Imperium heen gekomen. Het was één van de eerste landen die in Chaos overgingen. Er was niet genoeg tijd en geld om de kerncentrales fatsoenlijk af te sluiten. En ongeveer 50% van de mensen wilde dat ook niet. 'Gebruik de elektriciteit zo lang als het blijft komen,' was hun argument. De ene reactor na de andere stortte in elkaar, of ontplofte, wat Rusland in één groot nucleaire vuilnisbelt veranderde. Nee, daar wilde Henry inderdaad niet naar toe. Amerika dus, maar hoe?

Hij vroeg het aan Harry. Die dacht na, keek naar Ellen, en dacht weer na. Hij leek er niet helemaal over uit te komen. Plotseling vroeg hij Ellen: "Weet je waarom het derde boek hierheen is gekomen? Als ik de TC was zou ik boek zes en zeven hebben gepakt…"

"Henk zei, dat ze op het laatste moment ontdekt werden, en dus hebben het eerste boek gegrepen dat in hun vingers kwam, voordat ze weg moesten."

"Zou je Jacky weer kunnen bellen en haar vragen of boek drie perse hier moet blijven. Leg het een beetje aan haar uit…"

Ellen leek het meteen te begrijpen. Toen zij weg was richtte Harry zich tot Henry: "Je zou jezelf hun land in kunnen kopen, weet je? Jij hebt iets wat zij willen. Zo kunnen we onze belofte aan Brad inlossen, en jij bent meteen veilig. Alleen Jacky, hoofd van de TC hier, moet toestemming geven."

Henry was even stil. Hij dacht aan alles wat de afgelopen drie dagen was gebeurd. In die korte tijd was hij veranderd van een succesvolle professor, in een voortvluchtige! Dat was wel erg plotseling! En het was allemaal begonnen met de dood van die arme Charly. Was het echt zo dat de GD hem niet had vermoord? Wat zou Harry weten?

"Toen ik onder de vertrouwde bewaking van de GD was, vertelden ze me dat zij Charly niet hadden vermoord. Ze hadden dat ding in zijn rug gestopt om anderen binnen de TC te vinden."

"De GD is Ellens onderwerp, dat kun je beter aan haar vragen," zei Harry. Maar Henry zag dat hij meer wist dan hij wilde vertellen.

"De GD zei dat misschien iemand van binnen de TC hem had vermoord…"

"Dat kun je maar beter niet tegen Ellen zeggen. Dat zou te schokkend voor haar zijn. Ik weet niet wie het gedaan heeft, het zou net zo goed iemand van de Protectors geweest kunnen zijn. Wetend waar Charly stond binnen de TC zou het me niet verbazen als…"

Ellen kwam binnen. "Als wat, Harry?"

"Als Charly had geweten hoe dicht de GD hem en het boek op de hielen zat, voordat ze bij hem kwamen."

"Jij denkt dat hij dat risico bewust heeft genomen!" Ellens stem schoot omhoog van boosheid. "Ik ken hem Harry! Hij was niet suïcidaal!"

"Het is al goed Ellen. Hij was een fantastische gozer en niet alleen de TC heeft een waardevol persoon verloren. Ik denk dat de wereld zou moeten rouwen."

Ellen glimlachte om Harry's lieve woorden. "Jacky is akkoord," zei ze, terwijl ze vocht om haar pijn te verbergen.

Maar nu moest Henry door de douane de boot op gesmokkeld worden, en daarvoor moesten ze zijn uiterlijk aanpassen. Ellen ging naar buiten, en kwam nog geen half uur later terug met een tas vol met theater artikelen. Waar ze die vandaan had op zaterdag ochtend, wilde ze niet vertellen. Ondertussen hadden zowel Henry als Harry pijn in hun oren, want de moeder van Henry was wakker geworden. Ze was alleen stil als ze sliep. Het nieuws dat Henry voor goed naar Amerika zou vertrekken, resulteerde in een niet eerder gehoorde woordenvloed. Het was alsof ze vastbesloten was, alles wat ze tegen hem zou hebben gezegd als hij niet vertrokken was, te zeggen in de paar uren die ze nu nog had.

Harry had ondertussen de haven gebeld, en er zou inderdaad vanavond een boot naar Mexico vertrekken. Er was tegenwoordig geen handel met Amerika, en dit was de normale route naar Washington D.C. De Mexicaanse middagrust was beroemd bij de bevolking, en berucht bij veiligheidsdiensten. Terwijl Ellen met het gezicht van Henry bezig was vroeg hij haar: "Waarom doe je dit voor me?"

"Je had liever dat ik het niet deed?"

"Natuurlijk ben ik je dankbaar, maar… Uhm…" Hij probeerde het via een andere weg: "Waarom beloofde je aan Brad het boek te vinden?"

"Anders zouden we Charly nooit gevonden hebben. Anders had Brad het nooit verteld!"

"Maar wat voor belang is hij nog voor de TC?"

"Niets Henry, maar weet je nog dat ik van hem hou? Ik wilde graag bij zijn begrafenis zijn. Maar nu… Ik kan er niet heen."

Henry was even stil. Ze had dus al dit risico gelopen in een poging de begrafenis bij te wonen. Ze werd wellicht ondertussen ook gezocht door de politie. En dat alles voor iets wat nu onmogelijk leek. Hij kreeg medelijden met haar. Terwijl ze verder ging met haar bezigheden omtrent zijn uiterlijk, kwam Henry op een idee. Hij wist niet zeker of het zou werken, maar hij besloot het voor te stellen.

"Ik denk dat we ons beiden wel een plaatsje in het land kunnen kopen voor één boek? Denk je niet?"

Hoofdstuk TIEN

Dus Ellen had zich ook omgekleed. Ze waren onherkenbaar omgevormd tot een boer die met zijn dochter op vakantie was. Ze hoopten alleen, dat niemand zou vragen hoe ze zich een tocht naar Mexico konden veroorloven. Privé bedrijven werkten nog steeds met geld, en zoals door de hele geschiedenis heen, waren ook nu de boeren niet de rijkste van het land. Henry had nooit gedacht dat een organisatie, verborgen en onbekend als de TC, zo invloedrijk kon zijn. Niemand buiten de TC kende de organisatie behalve de directe tegenstanders; de GD en Protectors. En niemand wist precies hoe groot de TC werkelijk was. Echter, niet meer dan een uur later, hadden ze nieuwe paspoorten. Jim en zijn dochter Alison waren inderdaad een boeren familie op vakantie.

Ze moesten de moeder van Henry afkappen om afscheid te kunnen nemen; voor goed. Het kostte zijn moeder schijnbaar weinig moeite. En ook Henry maakte er geen scène van. Wat was het? Waarom was het zo eenvoudig zijn moeder achter te laten? Hij ging voor altijd weg! Hij had geen hekel aan zijn moeder. Ze praatte veel, maar dat was haar enige slechte eigenschap. Er was nu geen tijd over om hierover na te denken.

Harry parkeerde de magnauto uit het zicht van de haven; of beter gezegd, uit het zicht van de passagiersingang. Henry en Ellen stapten uit. Ze bedankten Harry voor alles wat hij voor hen had gedaan. Ze herinnerden elkaar aan de rollen die ze speelden, en wandelden in de richting van het havengebouw. Ze voelden zich erg zeker toen ze om de hoek van het gebouw stapten. Maar zo gauw ze de ingang van de passagiers terminal konden zien, wilde Henry zijn koffer laten vallen en wegrennen. Ze hadden waarschijnlijk verwacht dat hij hierlangs zou proberen te ontsnappen, want zowel de politie als de GD waren sterk vertegenwoordigd. Er waren er zo veel, dat na een bepaald signaal, alle deuren in een fractie van een seconde gesloten en bewaakt konden worden.

Henry's hart sloeg sneller met elke stap die hij richting de deuren zette. Alleen de wetenschap dat zijn vermomming goed was, hield hem op de been. Ze passeerden een agent op armlengte afstand. Angst sloeg hem om het hart. Wat als ze hem herkenden? Maar hun route zo aanpassen zodat ze niet zo dicht bij agenten in de buurt zouden komen, was – als het al mogelijk was – een goede manier om de aandacht te trekken. En dat was het laatste wat ze wilden.

Hij keek naar links, waar Ellen naast hem liep. Ze leek erg ontspannen. Handen in haar jaszakken terwijl ze om zich heen keek alsof… Ja, alsof ze op vakantie ging! Henry deed een poging op dezelfde manier te kijken, maar hij voelde het niet. Hij was een slecht acteur. Hij wist, dat alles wat hem beschermen kon de vermomming was.

"Sorry meneer, gewoon een steekproef, mag ik uw paspoorten even zien?"

De stem achter hen was erg beleefd, maar eiste medewerking. Met zijn hart in zijn keel draaide Henry om, en keek naar de man achter hem. Politieagent. Streng gezicht, glad geschoren en scherpe ogen. Er zouden hem maar weinig details ontgaan. 'Relax, de vermomming is goed,' dacht Henry, terwijl hij de paspoorten uit zijn heuptasje haalde. Hij hield de tickets in zijn hand, maar het leek hem verstandig ze in het zicht van de agent te houden. De agent wist duidelijk waar hij zoeken moest. Hij keek even naar de foto's, en ging toen naar de visa.

"Voor het eerst naar Mexico?" vroeg hij.

Jim en Alison knikten.

"Mooi, jullie hebben nog 10 minuten tot de Check in sluit. Gaat u even mee," en hij bracht hen naar een kleine kamer naast de ingang. 'Murphy is een optimist…' dacht Henry. Het was een kale kamer waar ze zaten. Eén tafel, bijna net zo breed als de kamer. Daarachter stond een grote kast met honderden boeken en mappen. De agent wees hun twee stoelen met de rug naar de deur. Henry zag dat Ellen er nog altijd erg ontspannen uit zag, behalve een gespannen kaak. En haar handen zaten nog steeds in haar zakken. Ja, ook zij was nerveus. Hij wist dat dat hun kans op ontdekking zou vergrootten, maar verrassend genoeg werkte dat op hem juist ontspannend. Hij voelde nu, dat nerveus zijn niet iets slechts was in hun situatie. Hij was niet de enige! De agent liep om de tafel en bladerde snel door wat papieren. Henry vroeg: "Waar bent u naar op zoek?"

"Heeft u de krant niet gelezen?"

Henry schudde zijn hoofd. "Het was nogal een lange rit met de trein. We vertrokken voordat de krant kwam." Vergiste hij zich? De agent keek naar hem alsof hij er geen woord van geloofde. Toch zei hij: "Afgelopen nacht is er een bankier vermoord en we zoeken een verdachte. We vermoeden dat hij met een jonge vrouw zal proberen te vluchten naar Mexico. Omdat jullie aan die beschrijving voldoen, controleren we u…" Hij stopte abrupt met praten omdat hij iets had gevonden in een van de mappen. Hij gaf hun paspoorten terug.

"Dank u voor uw medewerking, meneer. Prettige vakantie. Mevrouw, veel plezier in Mexico."

En daarmee konden ze gaan. Henry had de neiging Ellen om de hals te vliegen, maar hij deed het niet. Want dat zou het laatste beetje plezier zijn, dat hij ooit nog zou beleven. En er was nog een obstakel: inchecken. Terwijl ze naar de incheck balie liepen, vroeg hij zich af hoeveel mensen er eigenlijk bij de TC waren. Ze hadden vanmorgen hun paspoorten en visa gekregen maar ze stonden al geregistreerd bij de politie hier! Dat was nog eens een organisatie!

Alle bagage zou door een röntgen apparaat gaan. En hij had nog steeds het boek in zijn tas. Voordat ze in checkten gingen ze allebei naar het toilet. Ze hadden nog vijf minuten. Henry keek om zich heen naar mogelijke camera's en vond er één. Hij vloekte zachtjes, en ging in een hokje zitten dat waarschijnlijk uit het zicht was. Eenmaal binnen keek hij nog eens, en hij kon inderdaad niet gezien worden. Hij opende zijn tas, haalde het boek eruit en stopte het tussen zijn buik en het kussen, dat ze daar gebonden hadden om hem dikker te laten lijken. Nu maar hopen dat ze hem niet zouden uitkleden… Toen hij weer buiten kwam, was Ellen al klaar. Met een nerveus glimlachje vroeg ze: "Nog altijd constipatie, pa?"

"Ja, schat…"

"Maak je geen zorgen, met het eten aan de andere kant, ben je denk ik zo aan de race!"

Henry moest daar oprecht om lachen.

De douane stelde niets voor. De tassen gingen door het röntgen apparaat en hun paspoorten kregen er een stempel bij. Even later waren ze aan boord van de boot, die zachtjes deinde op de golven van de zee. Het gevoel van een bewegende vloer, stelde Henry gerust. De eenvoud waarmee ze door de douane waren gekomen baarde hem aanvankelijk zorgen, maar nu had hij het gevoel dat er niets meer mis kon gaan.

Agent De Boer keek de man en de jonge vrouw na terwijl ze de terminal in liepen. Hij vloekte tegen zijn collega.

"Verdomme Jim, ik weet zeker dat ze het zijn! Maar hun paspoorten… Ze staan gewoon in de boeken, en hun Mexicaanse visa nummers zijn twee weken geleden uitgegeven. Tenminste, zo staat het in de papieren. Ik had niets anders dan intuïtie om ze te arresteren. En jij weet net zo goed als ik, dat al was mijn intuïtie juist geweest, ze nog vrijuit zouden zijn gegaan."

Een korte stilte. "Hoe kregen ze het voor elkaar, om op zo'n korte termijn hier illegaal ingeschreven te raken?

"Je kent de geruchten toch, Mike?"

"Ja, ja. Die verdomde Indianen hebben zogenaamd overal infiltranten. Maar John, toch vraag ik me af, hoe dan? Met de GD zo fanatiek op hun hielen! En herinner jij je dat er één mol werd gevonden?"

"Nee, maar dat bewijst alleen maar, dat ze zelfs hoog in de GD zitten. Hoewel dat wel erg onwaarschijnlijk lijkt…"

De Boer voelde zich lullig toen hij zich omdraaide om koffie te halen. Nog voor hij zijn mok had volgeschonken, hoorde hij een luide toeter van de boot. Even later hoorde hij twee luide toeters, en de rook die boven het gebouw uit kwam werd dikker. Het schip voer uit.

Plotseling kwam er een politie magnauto met gillende sirenes tot stilstand voor de terminal. Twee mannen in grijze pakken sprongen eruit en renden richting De Boer.

"We weten wie we hebben moeten," zei één van hem, terwijl hij hem een papier gaf.

De Boer zuchtte. "Twijfel nooit aan je intuïtie, heren! Ze zitten op die boot die net vertrok."

Henry en Ellen stonden op het achterdek terwijl ze de haven kleiner zagen worden. Wellicht het laatste wat ze ooit van Zuid Afrika zouden zien. Het land waarin ze waren opgegroeid, en waar ze zo zoveel gelukkige jaren hadden doorgebracht. Plotseling zagen ze een heleboel politiemannen over de kade rennen. Zouden ze het weten? Een politieboot kwam aanstuiven en een man of zes, zeven sprongen aan boord.

Op dat moment kwam de kapitein over de intercom: "Dames en heren. We hebben net bericht gehad van de politie, dat ze vermoeden dat we een paar criminelen aan boord hebben. Zij komen binnenkort aan boord om nogmaals jullie paspoorten te controleren. We vragen u voor uw medewerking. Gaat u alstublieft naar uw zitplaatsen terug. Onze excuses voor het ongemak. We zullen echter door blijven varen; dit zal geen vertraging opleveren."

"Dus," zei Ellen, "ze zijn eruit. We zullen ons ergens moeten verstoppen, tot we ons op internationale wateren bevinden. Daar kunnen ze ons niet arresteren. De Mexicaanse politie kan nog moeilijk doen, maar die kunnen we wel omkopen, heb ik gehoord."

"Waar kunnen we ons verstoppen?" Vroeg hij terwijl hij naar de boot keek die achter hen aan kwam. Ze hadden niet veel tijd, voordat ze kat en muis zouden gaan spelen. Achter elke deur zoeken naar een plekje om te verstoppen, zou nogal wat aandacht trekken. Ellen kreeg een idee. Ze trok Henry mee omhoog naar het bovenste dek. Ze keek om. Niemand. In de schoorsteen zat een klein deurtje. Ze trok het open, en ze gingen naar binnen. Hij trok de deur achter zich dicht. Er was een klein vingergaatje in de deur. Tussen de pijp en de buitenwand was het warm. Erg warm. Nog geen minuut later zweetten ze verschrikkelijk, maar dat was beter dan gevonden worden. De intercom kraakte weer. "Dames en heren, mijn naam is Michael de Boer. Mijn oprechte excuses voor het ongemak maar zou u terug kunnen gaan naar uw zitplaatsen en kajuiten? Het zal niet lang duren. Dank u."

Daarna was het stil.

"Hoe lang zal het duren tot we op internationale wateren zijn?" vroeg Henry.

"Hoe moet ik dat weten? Het is 20 zeemijlen uit de kust maar ik heb geen idee hoe snel deze schuit is."

Henry wist dat ook niet. Dus wachtten ze. Het leek een eeuwigheid en de warmte maakte het er niet makkelijker op. Steeds moesten ze het zweet uit hun ogen wrijven. Af en toe keek hij door het vingergaatje. Plotseling kwam was er geluid op het deck. Henry keek en deinsde achteruit, weg van de deur. Politie. Zijn hart klopte 200 slagen per minuut.

"Verdomme nog aan toe John, waar hebben ze zich verstopt?"

"Er zijn nogal wat plekken op een schuit als deze Mike. We zijn een grote kat en we zoeken twee kleine muisjes!"

"Daar sla je de spijker op zijn kop," zei de gene die Mike heette met een donkere stem. "We kunnen niet elke stomme deur open doen om te kijken of ze er achter zitten."

In de schoorsteen duidde Ellen, dat Henry om de uitlaat heen moest schuiven, en zich erachter moest verstoppen. Ze was getraind door de GD. Henry zou daar nooit aan gedacht hebben. Hij was te nerveus, maar hij deed zoals ze hem opdroeg. Buiten ging het gesprek door.

"John, kan ik je iets in vertrouwen vragen?"

"Mike, je kent me. Brand los!"

"Weet je waar we echt achteraan zitten?"

"Zo ver ik weet heeft hij iemand van de GD omgelegd. En zij is vermoedelijk TC maar wat dat met elkaar te maken heeft…"

"Dus we jagen op iets waar de GD de felicitaties voor zal krijgen als wij ze vangen. Zij zijn de enige, die echt weten wat het is. Ze zaten al achter hem aan voordat die vent werd vermoord! Waarom komen ze zelf niet de rot klusjes opknappen?"

"Tja, ze blijven graag geheim... Maar ik ben het met je eens, wij zijn het steeds weer die de vieze handen moeten krijgen!"

Ze waren even stil. Aan de andere kant van de pijp, stonden Henry en Ellen dicht tegen elkaar aan. Het was erg donker aan die kant, want er was hier geen deur met een vingergaatje. Henry had Ellen pas opgemerkt, toen hij tegen haar aan botste. Of botste zij tegen hem?

"He, wacht eens!" Ze konden de stemmen van buiten nog maar nauwelijks verstaan.

De kleine deur ging open en zaklampen schenen naar binnen. Henry en Ellen zaten verstopt.

"Het is verdomd heet hier. En smering!"

Ze kwamen niet naar binnen. Ze deden de deur dicht en liepen om de schoorsteen heen, en kwamen tot de ontdekking dat daar geen deur zat.

"Nou ja, ik ga er maar vanuit dat mijn intuïtie niet altijd even accuraat is. We moesten maar weer eens verder zoeken. Nog tien minuten en we zijn buiten onze bevoegdheid."

Tien zweterige minuten later kraakte de intercom weer.

"Dames en heren, sorry voor al het ongemak. We hebben onze taak gedaan. We wensen u allen een prettig verblijf in Mexico."

In de schoorsteen zuchtten Henry en Ellen opgelucht. Langzaam schoven ze rond de pijp terug naar de deur. Ze verstijfden toen de intercom opnieuw kraakte. Deze keer was het de kapitein, met de mededeling dat de politie van het schip was vertrokken. Eenmaal buiten keken ze elkaar gelukkig aan. Zweet had hen doorweekt tot op het bot, maar de make-up was van goede kwaliteit. Professioneel theaterspul. Hun kleren en handen waren echter zwart van het vuil op de muren waartussen ze geklemd hadden gezeten.

Terwijl ze terug naar de haven voeren, stond De Boer op het achterdek naar het schip te kijken, dat op weg was naar Mexico. Aanvankelijk zonder hulp, later met een verrekijker. Plotseling zag hij het deurtje in de schoorsteen open gaan, en twee figuren eruit komen. Dansend, elkaar omarmend, en samen verder dansend. Hij vloekte hartgrondig. Hij gaf de verrekijker aan John terwijl hij mompelde: "Twijfel nooit aan je intuïtie." Hij had er een hekel aan, als muizen uit zijn klauwen ontsnapten.

ALWEER REGEN

De zon heeft maar een dag geschenen. In het grijze licht van de vroege morgen, staan twee vreemdelingen, gehuld in regendichte kleding. Een man en een jonge vrouw, hun voeten in zachte modder. Wachtend. Ongeveer een uur geleden begon er een mysterieus soort muziek, in een grote tent waar de gasten niet mochten en mogen komen. De vreemdelingen kleedden zich aan, en begaven zich zonder te ontbijten naar de ingang van de stenen cirkel gebouwen. Maar nu zijn de muzikanten – vooral drummers – in beweging gekomen. Langzaam schrijden ze door het kamp, om na een lange wandeling, eindelijk in zicht te komen van de vreemdelingen. Achter de muzikanten lopen zes mannen. Ze dragen iets zwaars, het formaat van een mens. Daar weer achter, in een lange, trieste stoet, lopen alle inwoners van het kamp. De rij loopt voorbij alsof ze de vreemdelingen niet zien.

Haar hand glijdt in de zijne terwijl ze schouder aan schouder toekijken. De regen draagt in grote mate bij aan de triestheid van het tafereel. Dat wat de zes mannen dragen, wordt pas herkenbaar wanneer de muzikanten langs zijn gelopen. De man voelt de schouder van de jonge vrouw schudden. Hij kijkt naar haar. Haar hoofd gebogen, een hoop van ondraaglijke hartepijn. Hij heeft geen idee wat hij kan zeggen. In plaats van zijn mond te gebruiken, legt hij een arm om haar schouder. Hij kan nu het gevecht binnen in haar voelen. Het gevecht om niet snikkend voorover te vallen, over het lichaam.

Langzaam, stap voor stap, gaat de hele processie langs de twee, en verdwijnt tussen de stenen gebouwen. Verder en verder weg. Pas als de ruis van vallend water op hun jassen het geluid van de muziek overstemt, duwt hij haar vriendelijk in de richting van hun tent; alsof hij een blinde geleidt, bewust van het feit dat zij niet merkt wat ze doet. Terug in hun tent, neemt hij haar regenjas af, terwijl hij zich verbaasd over de kwaliteit. De dicht geweven stof heeft al het regenwater buiten gehouden, maar van binnen is het niet benauwd.

Hij legt haar op het bed en gaat naast haar zitten. Hij weet nu niet meer wat hij kan doen. Wat helpt haar het beste? Hoe kan hij haar troosten? Hij heeft geen idee. Hij heeft nooit zoiets hoeven doorstaan. En terwijl hij naar haar met tranen besmeurd gezicht kijkt, realiseert hij zich, dat hij dit ook nooit wil meemaken. Het middaguur komt en gaat, terwijl er niets anders in hun tent beweegt, dan de tranen over haar wangen. Hij is gestopt met praten. Zij probeert niet eens uit te leggen hoe ze zich voelt. Maar als hij opstaat om iets te drinken te halen, grijpt ze zijn hand steviger vast. Een dringend verzoek niet weg te gaan. Alleen als hij belooft meteen terug te komen, laat ze los. Als hij terug komt, heeft ze zich op haar zij gedraaid; opgerold als een poes. Hij biedt haar wat drinken aan. Zij weigert. Hij drinkt wel wat en gaat weer naast haar zitten. En dan begint ze eindelijk te praten.

"Charly zei eens dat jij beweerde dat we nu met de grootste vrijheid leven die de mensheid ooit gekend heeft." Haar stem was nauwelijks meer dan schor gefluister. Ze kucht even voordat ze doorgaat. "Misschien heb je wel gelijk, maar we leven nog steeds niet zonder pijn wanneer we een geliefde verliezen. Pas nu, op zijn begrafenis, besef ik pas echt dat ik hem nooit meer terug zal krijgen."

Wat kan hij zeggen? Hij weet het niet. Zijn verwijzingen naar vrijheid in zijn lessen hadden alleen maar te maken met sociale vrijheden. Maar wat was het nut om dat nu te zeggen? Na enige tijd van stilte zegt hij schor: "We zijn nog steeds mensen en dat zullen we altijd blijven…"

Hoofdstuk TWAALF

De volgende morgen komen de ouderlingen van de stam naar Henry en Ellen.

"Nu de ceremonie voorbij is, zullen we alle formaliteiten met jullie moeten afhandelen. We hebben je nagetrokken Henry, en jij hebt de afspraak gebroken. Jij bent hier de vierde keer dit decennium. Waarom?"

"Om te blijven," zegt Henry, "Wij allebei trouwens."

"Ellen kan blijven. We hebben ook haar gegevens nagetrokken en zij is volbloed deel van onze stam. Ze is weliswaar 4de generatie migrant. Ze zal dus alle ceremonies moeten doen, die ze normaal gesproken als kind had gedaan. Ben je het eens met die voorwaarden?"

Ellen knikt.

"Maar jij Henry, waarom zouden we jou laten blijven?"

"Vanwege twee onderling verbonden redenen. Ik heb iets wat jullie waarschijnlijk terug willen. Om dat te houden en te beschermen, heb ik in mijn vaderland iemand vermoord. Dus ik kan niet terug gaan."

"Dan moet het wel iets heel bijzonders zijn, dat wij het de moeite waard vinden om ervoor te doden! Want alleen dan zouden we je kunnen laten blijven."

"Ik vertrouw op uw goedheid. Al heb ik nog geen garantie, dat u me niet zult straffen. Ik bid dat u dat niet doet." En daarmee reikt hij naar zijn tas, en haalt het boek eruit.

Een golf van verbazing gaat door de ouderlingen. Eentje zegt nerveus: "Wacht hier!" En daarmee vertrekken ze, Ellen en Henry perplex achter latend. Ze zijn echter niet lang alleen. De ouderlingen komen gauw terug met drie superieuren, die Henry en Ellen nooit hebben gezien. Zonder enige ceremonie nemen ze het boek van Henry af en kijken het door. Daarna fluisteren ze wat onder elkaar, en zonder een woord tot Henry te richten, vertrekken ze weer. Deze keer met het boek. Eén van de ouderlingen van de stam zegt: "Je kunt blijven Henry. Maar niet met één van onze stammen. Je zult hier in Washington D.C. wonen, en zal hier voor je eigen onderhoud zorgen. Je zult zo lang worden getolereerd en misschien… misschien komt de tijd dat…" En zonder op nog een antwoord te wachten, draaien ze allemaal om en vertrekken.

Henry staat op, gaat in de ingang van zijn tent staan en ziet de ouderlingen vertrekken door de grijze sluiers van regen. Het is misschien maar beter, dat ze hem geen kans gaven iets te zeggen. Hij heeft geen idee wat hij gezegd zou hebben.

"Op een dag," dringt Ellens stem tot hem door, "Ooit zal de waarheid algemeen bekend worden."

Henry twijfelt hieraan. In de huidige samenleving kent men meer rechten en vrijheden dan ooit tevoren. Maar nog nooit heeft een regering de mensen het Recht op de Waarheid gegeven. Noch in het Amerikaanse Rijk, noch, zo blijkt nu, onder het huidige regime. Het lijkt Henry onwaarschijnlijk dat dat nog zou veranderen tijdens het bestaan van dit wereldrijk. Wellicht in een volgend, maar de geschiedenis leert dat dat nog vele generaties zal duren…

DE AMERIKANEN- Epiloog

Henry woont de rest van zijn leven in Washington D.C. Kort nadat het boek terug is gekomen verdwijnt de stam – en daarmee Ellen. Henry voelt zich de eerste dagen eenzaam, maar hij leert zijn tijd te vullen met een plaatsje voor zichzelf te maken. De nieuwe stam is aanvankelijk argwanend jegens hem, maar hij weet hun vertrouwen te winnen. Bij het afscheid zijn er zelfs mensen die hem een paar afscheidscadeaus geven. En op deze wijze verstrijkt jaar na jaar, met telkens weer de aanvankelijke argwaan. En elk jaar weet Henry vriendschap te sluiten, waardoor elk jaar het afscheid weer zwaar valt. Tot op een dag Ellen bij hem voor de deur staat. Het weerzien is hartelijk, maar hun ervaringen over de jaren zijn zo verschillend dat de aantrekking niet meer is wat die geweest is.

Over de jaren heen wordt Henry door de verschillende stammen geaccepteerd als geboren Amerikaan. Uit één van de stammen vindt Henry een vrouw, die wanneer het jaar voorbij is, bij hem blijft wonen. Onder hevige protesten van haar vader, blijft zij achter terwijl haar stam verder trekt.

Geen moment echter, vergeet Henry zijn droom. De droom om achter de waarheid te komen, de droom om het laatste deel van de Amerikaanse Geschiedenis te lezen. Zijn vrouw kent die droom, maar wil er niet over praten, noch voor hem pleiten bij de bewakers van de Witte Tempel. Langzaam maar zeker, komt Henry dichter bij zijn doel. Aanvankelijk is zijn grootste overwinning, dat hij toegang krijgt tot de stenen cirkel van gebouwen. Henry is onder de indruk van de pracht van de Witte Tempel. Waar de stenen cirkel van gebouwen eromheen vervallen is, staat de tempel te schitteren in de zon. Maar toegang tot het heiligste van het heiligdom wordt hem steeds weer ontzegd.

Pas vele jaren later, tegen de tijd Henry zo oud is dat hij hulp nodig heeft bij zijn eigen verzorging, komt het bericht van de bewakers van de Witte Tempel dat hij de waarheid mag weten. Hij heeft ondertussen de meeste mythen die onder de stammen leefde wel gehoord, maar niemand kan hem vertellen wat precies de waarheid is; omdat niemand de boeken heeft gelezen. Alleen de Bewakers van de Witte Tempel kunnen hem verder helpen, en eindelijk doen zij dat.

Er moeten veel rituelen uitgevoerd worden voordat hij toegelaten wordt tot het heiligste van de Witte Tempel. Hij voert die met bonzend hart uit. Hij weet dat zoveel opwinding gevaarlijk voor hem is, maar hij kan zijn hart niet tot bedaren brengen. Als laatste moet hij een eed afleggen die eist dat hij sterft als hij het ooit over de waarheid praat. Terwijl hij die aflegt, moet hij ineens aan Charly denken. Hoe was Charly aan het boek gekomen? Daar krijgt hij uiteraard geen antwoord op.

Eindelijk komt hij achter de bloedrode gordijnen waarvan hij zoveel jaren heeft gedroomd. Rondom aan de muur hangen honderden schilderijen, tekeningen en foto's die hij herkent van de geschiedenis van het Amerikaanse Imperium. Alleen de laatste paar zeggen hem niets…

Hij blijft er dagen achtereen. Alleen maar lezen. In het begin is er niets nieuws voor hem. Hij leert pas wat nieuws uit boek zes. Er staat daar geschreven, dat de leiders van het Imperium de milieuramp zagen aankomen. De manier waarop zij de planeet behandelden, zorgde ervoor dat het er niet veel langer geschikt zou zijn voor menselijk leven. In boek zes staat, dat ze verwachtten dat tussen vijftig en zestig jaar na het ter perse gaan, het menselijke ras massaal zou beginnen te sterven, tot er geen meer over zou zijn. "Er is maar één manier…" Dat was de laatste zin van het boek. Henry sluit het boek volgens het protocol van de Tempel, en zet het terug waar het hoort. Hij eet iets, gaat naar het toilet, en begint aan het manuscript; het laatste deel. Dit is een schokkend stuk tekst.

"Ik heb ooit dezelfde eed afgelegd als u daarnet waarschijnlijk heeft gedaan. En tegen de tijd dat u dit leest, ben ik waarschijnlijk ook niet meer in leven. Zij hebben de eed ontwikkeld, en ik vermoed dat die nog steeds bestaat. Ik heb het aan niemand verteld, ik heb de waarheid slechts op geschreven…

Ik was een van hen. Ik hielp ze uitrekenen, hoe groot de effecten van de milieuramp zouden zijn. Voor u moet dit zijn om te weten dat ik de waarheid spreek.

De Amerikanen logen tegen de wereld, niet voor het eerst, maar deze laatste leugen was wel hun grootste. Er zijn nooit buitenaardse wezens in ons continent geweest; althans, niet voordat ik dit schrijf. De vele stippen op internationale radar schermen, waren de schepen die wij zelf aan het bouwen waren, niet de schepen die waren geland. Ze hadden de ramp al ruim 150 jaar van te voren aan zien komen, en ze hadden 30 jaar de tijd genomen, om hun grootste leugen op te zetten. Ik bewonder nog steeds de manier waarop ze dat voor elkaar gekregen hebben. Al had het zijn slechte kanten.

Het ontwerp was fantastisch. Er waren genoeg zelfvoorzienende schepen, om 3 miljoen mensen mee te nemen. Met de meest moderne magnetische aandrijving, konden ze 0.9 maal de lichtsnelheid halen. De magnetische aandrijving was gebaseerd op een behoorlijk oud principe: het gebruikte de magnetische velden rondom sterren om op snelheid te komen. Zo stuiterden ze als het ware van ster naar ster. Met wat ze mee namen zouden ze het ongeveer 200 zonnejaren uit kunnen houden. Men wist, dat men in die tijd zeker drie planeten tegen zou komen, die geschikt waren voor menselijk leven; ze namen de gok dat één van die drie nog niet bewoond zou zijn.

Twintig jaar voordat ze planden te vertrekken, konden ze hun schepen niet meer voor buitenlandse radars verborgen houden. Ook dit hadden ze al jaren voorbereid. De leugen dat er buitenaardse wezens geland waren, werd efficiënt verspreid. Ook verspreidden ze computer gegenereerde ontmoetingen met niet bestaande wezens van andere werelden. De enkeling die publiekelijk de leugen in twijfel probeerde te trekken verdween spoorloos. Niet lang na de eerste televisie uitzending van zo'n ontmoeting, werd ik gerekruteerd. Iedereen werd om een bepaalde reden gekozen, en iedereen die betrokken raakte, moest zweren er met niemand van buiten het project over te praten. En iedereen stond op de rol om mee te gaan naar die nieuwe wereld.

Met op dat moment conventionele raketten, zou het vertrek meer zuurstof hebben gekost, dan beschikbaar was. Dus werd er een nieuw soort raket ontworpen. Ik ben geen raket deskundige, dus ik kan u niet uitleggen hoe die werkte. Ik weet alleen dat de raket waar ze uiteindelijk voor kozen, gassen uitstootte, die plastics aantastten. Maar wie maakte zich daar nog druk om? We stonden toch op uitsterven. In ieder geval, de mensen die achter moesten blijven. Op de dag van het vertrek besloot ik niet te gaan. Het was niet makkelijk me te verstoppen, maar ik kreeg het voor elkaar. Het leek mij goed, dat iemand die de waarheid kende achter bleef. Ze vertrokken met een knal. De lucht was nog jaren verduisterd door hun uitlaatgassen. Ik denk dat hun vertrek een zegen was. Het eerste gevolg was dat de economie in elkaar stortte, zodat iedereen – over de hele wereld – ineens voor hun eigen eten moest zorgen. De gene die dat niet kon stierf.

Toen de milieuramp daadwerkelijk inzette waren er nog steeds ongeveer 5 miljard mensen. Ik had me echter vergist. Mijn berekeningen waren gebaseerd op een vervuiling, vergelijkbaar met die van voordat de Amerikanen vertrokken. Maar toen de economie instortte, nam die vervuiling geleidelijk af. Daarom kwam het een jaar later, en daarom wist het menselijke ras te overleven.

Ik hoop dat de samenleving die hieruit voort komt, eens het verstand vindt dat met hun slimheid gepaard zou moeten gaan. Ik geloof dat de mensen die vertrokken, dat nooit zal lukken. Zij zullen het heelal afreizen, en planeet na planeet vernietigd achterlaten. Op dezelfde manier als ze – dachten dat ze – met hun thuisplaneet deden. Of is dit niet de eerste planeet waar mensen voorkomen? Wie weet er echt hoe we hier terecht zijn gekomen?"

MyOpera

Twitter

Facebook