Thuis verhalen gedichten schrijven

Het verhaal van Immärdårk

In een klein dorpje, ergens ver weg van alles, werd op een druilerige regendag een jongetje geboren. Het dorpje lag ergens in the middle of nowhere. Het lag ver van de kust in een bos van miezerige oude kleine boompjes. Als je er tegen het middernachtelijk uur doorheen liep leek het wel of deze bomen je zwijgend aan stonden te staren en zodra je voorbij was lelijke dingen over je begonnen te fluisteren. De mensen uit het dorpje fluisterden over de boom-stemmen want ze geloofden dat in de bomen de geesten van dieven zaten die wraak wilden nemen op de dorpelingen. De dieven in het dorp werden altijd het bos in gestuurd om als ze twee jaar van zuivering achter de rug hadden terug te keren. Geen was er echter in al die jaren dat de geschiedenisverhalen terug gingen ooit teruggekeerd. Het Dievenbos werd het dus genoemd. Het lag als een dikke jas om het dorp heen en was zo groot dat niemand echt wist hoe groot het was. De mensen kenden wel een ander dorp maar dat lag meer dan een dag gaans van het dorp af. Het gevolg was dat alleen de moedigste onder de sterke mannen er een enkele keer heen ging. Verder meed de bevolking het bos zolang het donker was.

Als het licht was echter gingen de mensen het bos in om vruchten en paddestoelen te zoeken voor het avondmaal. Jagen werd alleen door dieven gedaan, omdat de dieren de Geestenvrienden zijn en als die boos zouden worden zou er weinig meer van het dorp over blijven, zoals men geregeld fluisterde. Als iemand voor het dorpsgerecht verscheen onder beschuldiging van diefstal en men wist dat hij ooit een dier gejaagd had, werd hij zondermeer het dorp uit gezet. Welnu, op een druilerige rendag werd bij een arm gezin een jongen geboren. Zijn naam was Immär. Hij was het geluk voor het gezin want hij kon tenminste meewerken om het gezin uit de laagste status van het dorp te halen. Als dit derde kind ook een meisje was geweest, dan had het gezin onherroepelijk het Dievenbos in gemoeten. De jongen groeide voorspoedig op en werd sterk en moedig. Als hij uit een hogere status was geweest had men openlijk van hem gehouden maar nu was men alleen maar heimelijk blij als hij in het dorp was.

Toen hij nog maar een kleine jongen was werd zijn liefde voor het Dievenbos gewekt. Hij noemde het voor zichzelf ook het Lievenbos. Hij hield van bomen en kon eindeloos met de lange baardmossen die aan de oeroude bomen afhingen spelen. Als zijn vader noten ging halen en zijn moeder met zijn zusjes paddestoelen ging zoeken, rende hij tussen de bomen door en speelde tikkertje met ze. Hij klom in ze en gaf ze allemaal een naam. Zijn liefde voor het bos was uiteraard niet onopgemerkt gebleven aan zijn ouders. Zij vertelden hem daarom maar eens wat er met de dieven gebeurde. Hij was nog maar een kleine jongen dus hadden ze het in een sprookjesvorm gegoten. Na dit verhaal bleef hij een hele tijd uit het bos weg en oefende zich in alles wat de mannen van het dorp konden.

Hij oefende zich in het bouwen van huizen, in het gooien en vangen van stenen en palen en in het zwaard vechten. Het zwaard vechten was eigenlijk nooit nodig omdat er geen vijanden in de buurt van het dorp waren behalve de Boomgeesten en de Geestenvrienden; maar tegen geesten is het onmogelijk een normaal wapen op te heffen. Toch oefende hij en na vijf jaar was hij de beste zwaard vechter van het dorp. Hij was nog niet volwassen maar hoorde al wel bij de groten van het dorp; al die jaren was hij niet meer in het bos geweest.

De jaarlijkse metingdag brak aan. Op die dag deden de volwassen mannen spelen en schijngevechten met elkaar, om uiteindelijk een winnaar te kiezen. Deze winnaar werd dan voorzitter van de Leidraad van het dorp; dus de belangrijkste man van het dorp op de hoofdman na. Op deze jaarlijkse meetingdag duurde het nog ruim een jaar voordat Immär volwassen zou worden. Maar hij kon niet wachten, hij voelde zich moedig en sterk. Dus ging hij naar zijn moeder en vroeg haar of hij haar toestemming had toch mee te doen, maar zij zei: ‘Neen! Je zult worden verslagen en uitgeput!’

Toen ging hij naar zijn vader en vroeg hem hetzelfde, maar ook hij zei: ‘Neen! De mannen zullen je uitlachen Bovendien zul je niet worden toegelaten omdat wij een te lage status hebben!’

En voor het eerst van zijn leven was zijn vader gelukkig om zijn status. Ondanks de waarschuwing ging hij naar de eerstvolgende vergadering van de Leidraad. En daar vroeg hij of hij ondanks dat hij nog onvolwassen was, toch aan de metingdag mee mocht doen. En men zei hem daar: ‘Als je wilt mag het. Maar als je wint kun je geen voorzitter van de leidraad worden omdat je daar te weinig ervaring voor hebt.’

Toen zei hij: ‘Ik zal mijn vader vragen of hij, indien ik win, de Leidraad voor wil zitten.’

De vergadering werd de langste tot nu toe ooit gehouden omdat men moest beslissen over een uitzondering op de regelmaat. Dit was totnogtoe nooit voorgekomen. Mocht een man uit een te lage status de Leidraadvoorzitter worden en dan nog wel als vervanger van zijn onvolwassen zoon? De Leidraadsleden die het er niet mee eens waren lieten zich overtuigen door het feit dat zo’n jongen toch geen schijn van kans had om te winnen.

De week voor de dag was het een grote drukte in het dorp. De mannen waren bezig met het opbouwen van de tribunes langs het centrale pad waarop één voor één de verschillende spelen zouden worden uitgevoerd. De vrouwen waren bezig om extra veel heerlijke paddenstoelenstampot en de lekkerste vruchtensappen die je je maar bedenken kunt te maken. Het hele dorp rook naar vers gebakken wilgenwortel brood. Ook werden extra bedden neer gezet voor de mensen die uit het andere dorp zouden komen. Deze mensen hadden een minder grote angst voor het bos want er was niets dat hen angst in kon boezemen. Aan hun kant was het bos iets minder oud en angstaanjagend. Zij woonden aan de enige rivier in de verre omtrek en die was hun grote angst. Hun dieven werden nl in de rivier gegooid waar de meesten niet leven uit kwamen. Als er een vis werd gevangen, of als het water onnodig werd vervuild dan kon het wel eens gebeuren dat… En daar werd alleen maar over gezwegen. Maak het watermonster niet boos was hun levensangst.

Dan, eindelijk na veel voorbereidingen en oefeningen van de deelnemers brak eindelij de Dag aan. Immär kwam die ochtend wat later uit het Dievenbos terug dan hij de afgelopen week had gedaan en men was nogal bang dat hij in een strijd verwikkeld was met één van de Dievengeesten, toen hij ineens opdook. De hele week was hij al ‘s avonds het bos in gegaan en er vroeg in de morgen weer uit gekomen. Men sprak er schande van en men begon te denken dat hij alleen in het donker leefde. De ochtend van de grote Dag kwam hij lijk bleek uit het bos en hij zag er vermoeid uit. Hij kwam bij zijn huis en trof daar alleen zijn oudste zus aan. Zij schrok van hem toen hij binnenkwam. Zij vroeg hem of hij in die toestand wel mee kon meten. Hij gaf haar ten antwoord een zekerder blik dan zij ooit van hem gezien had en voeg haar om een stuk elfen banken taart en wat wilbessensap. De Wilbes groeit ver van het dorp in de oudste bomen van het bos. Het is een paars blauwe vrucht die er van buiten veel minder lekker uit ziet dan hij is. Bovendien geeft de wilbes veel kracht en aan de gene de aan de voet van zijn boom slaapt een veilige nachtrust. Al het kwade blijft uit de buurt van deze Boom-oudste zoals men in het dorp deze boom ook wel noemde. Alleen ter gelegenheid van de jaarlijkse metingdag gaat er iemand op uit om een karrenvracht Wilbessen te halen en er sap van te maken. Immär kreeg wat hij had gevraagd en nuttigde het zwijgzaam. Toen hij klaar was vroeg hij zijn oudste zuster met hem mee te gaan. Zij sputterde tegen omdat zij beloofd had op het huis en de spullen te passen. Maar nadat hij gevraagd had of zij hem wilde steunen in zijn ondergang werd zij zo bang dat zij toestemde. Zij had uit zijn blik menen te lezen dat hij zeker was van zijn winst. Nu vroeg hij haar hem te steunen in zijn ondergang. Zo bezwaard was haar hart dat ze niets meer vroeg en dus niet hoorde waarom hij het zo had gezegd.

Bij de piste aangekomen lette niemand op hem. Hij moest zich met zijn ellebogen naar de strijdersingang begeven. Zijn zuster kon maar met moeite bij hem blijven. Op het slagveld was net de strijd bezig tussen de winnaar van twee jaar geleden en de favoriet van dit jaar. Het was een verschrikkelijk gevecht. De twee waren erg aan elkaar gewaagd en het duurde dan ook lang voor de jury het stopsein gaf.

Het stopsein word pas gegeven als de jury een beslissing heeft genomen over een winnaar. De Leidraadvoorzitter is elk jaar ook de jury voorzitter en strijd dus niet mee. Uiteindelijk werd de winnaar van twee jaar geleden als overwonnene aangewezen en de favoriet van dit jaar ging door naar de volgende ronde, het andere spel.

In het laatste gevecht kwam Immär aan de beurt. Zijn tegenstander had de sympathie van het publiek voor deze ronde en hij stond zijn lichaam ten toon te stellen als ware het een kunstwerk. Immär kwam de piste in als een slap, bleek uitziende jongen en niets leek erop dat hij kans had om te winnen. Bij het zien van Immär begon de tegenstander te lachen. Het publiek lachte mee. Immär liet dit over zich heen komen en even speelde er een medelijdende glimlach op zijn gezicht die alleen maar herkenbaar was voor diegenen die hem goed kenden en dichtbij stonden. Niet voor zijn zuster want zij stond achter hem en vreesde voor de toekomst van haar gezin na het gevecht. Zij was ervan overtuigd dat haar broer zou verliezen. De jury deed het rumoer verstommen en allen keken in de richting van de Leidraad voorzitter. Deze stelde de vraag die hij voor elk gevecht hoorde te stellen: ‘Strijder! Trekt ge u nog terug voor de strijd?’

Waarop allen antwoorden met ‘Nee!’ Maar Immär antwoordde: “Nee! Anders had ik hier niet gestaan. Dan was ik zoals een echte lafaard betaamd of in het bos gebleven of naar het andere dorp gegaan!’ De mensen spraken schande van de brutaliteit de traditie te breken en vonden met maar goed dat die sterke hem even in ging maken. Maar de jury dankte beiden voor het antwoord en toen begon de strijd. Immär begon afwachtend. Hij liet zijn tegenstander naar zich toekomen ten teken van minachting. Het duurde nog geen tien minuten voordat de jury het stopsein gaf en Immär tot overwinnaar uitriep. Het hele publiek zat stil en nog verbaasd te zijn over de felheid waarmee Immär zijn tegenstander onder de duim kreeg. Toen Immär de piste weer verliet om wat uit te rusten weken de mensen voor hem uiteen .Enkelen bogen zelfs het hoofd. Thuis aangekomen keek hij om en zag zijn zuster staan. Zij zag nog een grootse verandering in hem. Hij was weliswaar moe maar zag er trots en stralend uit. Nu pas durfde ze hem de vraag te stellen die haar al vanaf zijn overwinning op de lippen brandde: ‘Waarom vroeg je mij te steunen in je ondergang?’

Hij keek haar aan en zei dat hij niet meer dezelfde Immär was als voor het gevecht. Hij had een opener blik gekregen; op het leven en de realiteit. Hij zei: ‘Ik weet nu dat ik deze metingdag ga winnen. Ik zal voor een geheel ander dorp zorgen aan het eind van dit jaar. Vader zal al de dingen die ik hem zeg door te voeren doen.’

Voor het tweede onderdeel was hij weer als laatste ingedeeld. Hij streed tegen een jongen die zichzelf altijd al wat afzijdig had gehouden maar toch de strijd had gewonnen van een voormalig Leidraad voorzitter. De strijd ging erom wie het verste en snelste een ganzenei op zijn hoofd kon dragen zonder dat het eraf zou vallen. Het record van alle metingdagen was driemaal de oude piste rond, war overeen kwam met twee een derde maal de nieuwe. Het was ondertussen mooi, maar niet al te warm weer geworden en de toestand van de piste was ideaal voor dit spel. De jury voorzitter gaf het startsein en daar vertrokken ze. Dan weer Immär voor op dan weer zijn tegenstander. Zo ging het eenmaal de piste rond en een tweede maal en bijna een derde ronde. Toen kwam Immär zo ver voor dat hij praktisch al gewonnen had. Ze liepen echter nog door want bij dit spel word geen stopsein gegeven. Pas als één van de eieren op de grond ligt, of als de ene deelnemer de andere een hele ronde in heeft gehaald wordt er gestopt. In de vierde ronde haalde Immär zijn tegenstander bijna in. Toen viel zijn ei bijna van zijn hoofd. Hij kon het nog net opvangen, althans weer rechtleggen, maar het duurde een hele tijd voor hij weer kon gaan lopen. Zijn tegenstander, die ondertussen een halve ronde had ingelopen, keek even naar Immär, waarom die nu nog stil stond. En dat had hij niet moeten doen, want daar viel zijn ei. Niet op te vangen, gewoon kapot. Toen steeg een voorzichtig applaus op uit de tribune waar Immärs familie zat. De rest van het publiek zat nog steeds beduusd te kijken naar deze twee recordbrekers. Enkelen begonnen voorzichtig al te denken dat Immär de metingdag zou winnen. Bij het verlaten van de piste werd hij gevolgd door een klein groepje mensen dat hem bewonderde om de kracht en concentratievermogen in dat nog altijd iele lichaam van de onvolwassene. Zijn oudste zuster was hem al vooruit gegaan en had wat te eten en drinken klaar gezet en was al bezig met een ketel warm water voor een bad. Thuis aangekomen zei hij dat ze daarmee moest wachten tot de dag om was. Hij zou onder geen beding een bad nemen voordat hij al het stof dat dacht aanspraak te maken op het ledraad voorzitterschap had verslagen.

De rest van de dag verliep op vergelijkbare wijze. Elke wedstrijd won Immär. De ene nog glorieuzer dan de andere. En toen de dag bijna om was waren de enige overgebleven strijders Immär en de man van wie iedereen – ‘sochtends althans – vermoedde dat hij zou winnen. In deze laatste strijd kwam het op het concentratievermogen aan. De mannen moesten twee meter uiteen gaan staan en elkaar recht in de ogen kijken. De gene die het eerst de ogen neerslaat heeft verloren. Ook bij dit spel werd het record vele minuten verbroken. Langzaam verstreek de tijd en de toeschouwers hadden het gevoel alsof deze twee oerkrachten ergens ver van deze aarde een heel ander gevecht aan het voeren waren; op plaatsen waar nog nooit een levend wezen was geweest. Het was Immär die het eerste teken van leven gaf. Hij verschoof zijn voet enigszins. Het geluid van het zand da hierbij verschoof deed menigeen opschrikken; de aandacht in de muisstille piste werd verscherpt. Zo was iedereen getuige van het feit dat Immärs tegenstander als eerste, zij het maar heel even de ogen afwendde. Meteen brak het rumoer los. Ieder loofde over de kracht van Immär alsof men echt wist wat er gaande was, terwijl alleen de beide laatste strijders elkaar geestelijk omver hadden proberen te gooien. De geestelijke strijd was zo hevig dat Immär er nog grauwer uitzag dan daarvoor. De jury voorzitter riep Immär uit tot winnar van de dag en vroeg hem naar zijn eerste wens als Leidraadvoorzitter. Immär keek de juryvoorzitter verwonderd aan, en vroeg: ‘We hebben toch afgesproken dat mijn vader mijn plaats zou innemen omdat ik nog minderjarig ben? De jury voorzitter antwoordde zo zacht dat alleen Immär het kon horen: ‘De laatste daad van een leidraadvoorzitter is altijd het benoemen van een nieuwe.’

En luider, zodat iedereen hem goed kon verstaan, zei hij nu: ‘Hierbij benoem ik Immär tot de nieuwe Leidraadvoorzitter! Leve Immär!’

Die laatste kreet werd overgenomen door alle toeschouwers. Men nam Immär van het erepodium en droeg hem door het hele dorp. Toen men bij zijn huis aan kwam stond zijn hele familie al op hem te wachten. Zijn moeder en oudste zuster stonden te huilen van geluk. Zijn andere zuster stond maar wat te glimlachen en ze genoot zichtbaar van de belangstelling. Zijn vader was de enige die aller gedachten hardop uitsprak en riep: ‘Ik ben er werkelijk blij om! Nu zijn we eindelijk uit deze vervloekte lage status!’

‘Vervloekt is ze niet vader,’ zei Immär, ‘want de bewoners van het dorp die nog in die status zitten zijn allen aardig en niet verdoemd!’

Hiermee maakte Immär zich definitief geliefd bij de dorpelingen. Zo begon de regeertijd van de eerste nog onvolwassene Leidraadvoorzitter. Immär werd door het volk van het dorp geliefd en ook met angstige bewondering bekeken. Hij had nl de gewoonte om tegen zonsondergang het bos in te gaan en er ‘s morgens vroeg weer uit te komen. Hij deed dit niet elke nacht, maar enkele malen per week was geen uitzondering.

In het begin vernieuwde hij bijna niets in het dorp. Toen er bijna een half jaar om was begon men zich af te vragen of men zich niet in deze persoon had vergist. Want wat had hij tijdens zijn Leidraad voorzitterschap verandert? Helemaal niets. Wat in zijn voordeel pleitte was dat alles vrij goed geregeld was in het dorp; wat goed is hoeft niet verbeterd te worden al kan dat altijd. Op een dag, Immär was ongeveer zeven maanden aan de macht, kwam hij eerder dan normaal uit het bos. Hij was vrolijk en riep zo gauw mogelijk de Leidraad bijeen. De vergadering leek in het begin erg lang te gaan duren maar schijn bedriegt dikwijls.

Immär vertelde de Leidraad eerst hoe hij zich had aangeleerd om zich snel door het bos te begeven. Hij had een manier ontwikkeld waarop hij in een halve nacht van het ene dorp naar het andere en terug kon lopen. Op die manier was hij in alle richtingen van het dorp gegaan. Hij had de rand van het bos gevonden. Hij had daar de meest grazige weiden gezien en in de verte zelfs een heel groot ander dorp. Hij was doorgelopen in de richting van het grote dorp en ontmoette daar één van de dieven die ooit uit het dorp was gezet. Deze vertelde hem zijn verhaal; het volgende: “Ik kwam buiten de poort van jullie dorpje. Eerst was ik van plan om twee jaar net om het dorp te blijven en mezelf in leven te houden met wat ik kon vinden. Het leek mij wel het veiligste want als ik aangevallen zou worden door de Dievengeesten, zo dacht ik, zou ik nog op enige hulp kunnen rekenen. Na een paar nachten begon het mij al te vervelen en ik dacht: ‘ik heb hier twee jaar te verdoen, ik kan er best een jaar of anderhalf op uit trekken om de omgeving een beetje te leren kennen.’

En zo vertrok ik. Ik had alle tijd dus zocht ik iedere keer de makkelijkste weg. Hierdoor slingerde ik nogal en het duurde maanden voor ik hier op de prairie kwam. Ik zag de stad maar ik durfde er in eerste instantie niet naar toe te gaan. Tot ik op een gegeven moment een oude vriend uit het dorp tegenkwam die me ongeveer hetzelfde verhaal vertelde als ik jou nu. Hij nam me mee de stad in en liet me alle dingen zien die nieuw voor me waren. En dat waren er nogal wat! Om maar ergens te beginnen: Geld. Het is een ruilmiddel voor allerlei dingen. Als je bij de bakker een brood wil kopen kan dat, maar een taxi brengt je ervoor ook ergens heen. Ja, ik zie dat je vragen wilt, wat een taxi is. Maar dat vertel ik je zo. Eerst brood. Dat is niet gemaakt van de paddestoelen uit het bos zoals bij jullie; dat lusten ze hier niet. Het is gemaakt van fijngemalen korreltjes, dat hier de verzamelnaam graan heeft. Je hebt er allerlei soorten van. En nu je vraag: Wat is een taxi? Dat is een wagentje met een dier ervoor, meestal een paard of ezel, met een chauffeur, moeilijk woord voor bestuurder. Als je erin gaat zitten en je geeft die chauffeur wat geld, dan brengt hij je overal in de stad waar je maar heen wilt. Verder zijn hier verschillende winkels. Je hoeft hier niets meer zelf te maken, als je maar geld hebt. Mijn eerste geld heb ik gekregen van de vriend die ook uit jullie dorp is gezet. Toen heeft hij me uitgelegd hoe je moest handelen. De basis is, je koopt iets, en verkoopt het voor meer geld. Zo maak je winst, blijf je in leven. Onze stad heeft veel contact met een andere die aan zee ligt. Dat is een heel groot water. Op die zee varen boten. Als je het wilt zien moet je maar eens een keer mee komen kijken. Het is allemaal heel interessant maar ik moet nu bijna weg want er komt zo een vracht kolen aan. Daar handel ik in. Ik heb wel eens gedacht om contact te leggen met jullie dorp maar het is er nooit van gekomen. Jullie hebben wel iets om te verhandelen. Jullie Wilbessensap is veel beter dan hier. En jullie kunnen beter zwaard vechten. Dat hebben we hier wel nodig, want we worden regelmatig aangevallen. Jullie moeten alleen je angst overwinnen voor dat bos, dat echt alleen maar uit bomen bestaat. Er zijn geen geesten! Als je nog eens langs wilt komen, hier heb je genoeg geld voor de taxi. Je moet alleen maar mijn naam noemen, dan weet hij wel waar het is. Ik moet nu echt weg, naar mijn kolen. Ik hoop je snel nog eens te zien.”

“En zo vertrok hij,” vertelde Immär. “Ik bleef nog even zitten kijken naar de stad en vertrok toen ook. Nu weten jullie waarom ik vorige week zo plotseling langer weg bleef. Sindsdien ben ik gaan zoeken naar een geschikte plek voor een weg. Vanmorgen heb ik die gevonden. Nu wilde ik de Leidraad vragen om naar de stadleider te gaan en wat te praten over betrekkingen en dan een weg te maken.”

Na dit verhaal besloot de raad nog helemaal niets. Eerst wilde men alles zelf overdenken. En dan onder de bevolking inventariseren wat zij ervan vonden. Zo gezegd, zo besloten, dus na een korte vergadering ging men allen denkend naar huis. Een week later kwam de Leidraad weer bij een en men stemde. Niemand had echter bij de bevolking gevraagd wat die ervan vond. Ze waren het er allemaal over eens dat het goed was uit het isolement van het bos te komen. Toen bereidde de bijna volwassen Immär de reis voor. Hij nam wat extra te eten mee, wat overgebleven Wilbessensap dat zeer goed blijft, mits het op de goede manier bewaard wordt. Hij bedacht wat hij allemaal tegen de stadleider zou gaan zeggen en wat hij met zijn vriend de kolenhandelaar aan moest. Hij praatte over de reis met zijn ouders en zusters. Zijn jongste zuster, al volwassen, wilde als eerste dorpsbewoner op Immär na naar de stad gaan en al haar angst voor het bos overwinnen. Dientengevolge vroeg zij haar vader of zij mee mocht. Toen de oudste dochter hoorde dat haar zuster mee ging, wilde ze ook mee. Haar vader vond het niet goed dat Immär alleen met twee jonge vrouwen door het bos ging dus besloot hij ook mee te gaan. Moe past wel op de ambtswoning en na een week vertrok het gezelschap. Niemand kon Immär bijhouden dus het ging hem te langzaam. De eerste dag waren ze nog niet op de helft aangekomen. Eerst nu besefte Immär dat de stad toch een behoorlijke afstand lopen was. Immär maakte vuur hoewel de rest van het gezelschap er tegen was omdat ze de angst voor de boomgeesten niet van zich af konden zetten. Na het avondmaal legde iedereen zich ter ruste behalve Immär. Hij gebruikte het smoesje dat hij de wacht zou houden. Toen iedereen sliep verdween hij. De nacht was nog niet half om toen hij in de stad aan kwam. Hij schrok van de drukte die er op straat heerste. Hij zocht een taxi, betaalde en werd naar zijn enige vriend in de stad gebracht. Hij bedankte de taxichauffeur en wilde naar binnen gaan toen hij merkte dat hij de deur niet zomaar open kreeg.

Hij bonsde tegen de deur en trok hard aan een touw dat er naast hing. De volgende schok: Doordat hij aan het touw trok begon er binnen luid een bel te schellen. Hij hoopte maar dat de brandman niet zou komen. Deze kwam niet. Wie wel kwam was zijn vriend. Deze maakte slaperig de deur open en keek Immär aan. ‘Jij komt ook altijd in het donker, meester Immärdårk! Maar wees welkom. Dårk is in de stadse taal donker, maar ze begrijpen je wel als je donker zegt.’ Immär bleef in de deur staan en zei: ‘Ik heb mijn vader en zusters in het bos te slapen liggen, dus moet ik snel terug. Ik wil je alleen vragen voor ons wat slaapplaatsen vrij te houden en mij aan te melden bij de stadleider…’ ‘De burgemeester,’ onderbrak zijn vriend hem.

‘Nou goed,’ vervolgde Immär, ‘Ik wil je vragen mij bij de burgemeester aan te melden. Ik ben overmorgen avond met mijn familie in de stad.’

‘Ik zal doen wat je vraag. Hier heb je nog wat geld voor de taxi. Tot dan!’

‘Tot dan!’

En Immär vertrok. Hij liep zo hard hij kon en kwam nog net op tijd bij zijn slapende familieleden aan. Hij had nog nauwelijks het vuur opgestookt, dat wonder boven wonder nog brandde en was gaan zitten toen zijn jongste zuster wakker werd. Zonder aarzelen vroeg ze: ‘Waar ben je geweest?’

‘In de stad,’ antwoordde Immär, ‘Ik heb onze komst vast aangekondigd.’

‘Jij gaat ook altijd alleen in het donker op stap, meester… Meester Immärdårk!’

‘Weet je dat mijn vriend uit de stad me vannacht ook zo noemde!’

‘Oh…?’

‘Ja, hij zei dat omdat ik altijd in het donker kwam; dårk betekent donker in de taal van de stad.’

‘Goh… Ik verzon maar iets!’ ‘Misschien ben ik voorbestemd om vanaf nu zo te heten!’

‘Hoe te heten?’ mengde zijn vader zich erin.

‘Immärdårk,’ zei Immär.

‘Hm… geen slechte naam! He luilak,’ en Immärs vader wendde zich tot zijn jongste dochter.

Zij werd wakker en vertelde dat ze vannacht vreemd gedroomd had. En op aanraden van haar familie vertelde ze dat ze van Immärdårk gedroomd had.

‘Ja, zo heette jij in mijn droom,’ en ze keek naar Immär.

Ze verwachtte een heel verbaasde reactie, maar Immär zei: ‘Jij bent nu al de derde die mij zo noemt. Ik zal mij dan maar zo laten noemen.’ En geen was er tegen.

Verder gebeurde alles zoals met de Leidraad was afgesproken en men ging handelsbetrekkingen aan met de stad. Er werd een weg aangelegd waarop een zeer druk verkeer was. Mensen die tijdelijk van het rustige dorpsleven, mensen die in Wilbessen sap gingen handelen, mensen die wilden leren zwaard vechten, en dorpelingen die wel eens de stad wilden zien en wat kleinigheden wilden kopen reisden over deze weg. Zo voorspoedig ging de hele handel dat men in het dorp steeds meer geld kreeg en men dacht aan de aanschaf van paarden, maar vooral wagens voor sneller vervoer. Natuurlijk reden er taxis maar iemand die geld had moest natuurlijk zijn eigen vervoer hebben. En langzamerhand drongen de handelsgeruchten door naar het andere dorp. Nog voordat de ambtstermijn van Immär om was had men besloten om een weg aan te leggen tussen de twee dorpen. De tijden waren zo goed dat de mensen de jaarlijkse metingdag bijna vergaten. De Leidraad schudde ze nog op tijd wakker. De mensen waren echter zo blij dat men hem wilde houden als Leidraad voorzitter. En zo gebeurde het. Elk jaar ging de handel beter, ieder jaar werden de wegen drukker gebruikt en aan het eind van het tweede jaar was er een haven in het andere dorp. Van daaruit werden er andere dorpen ontdekt en bij de handelsketen betrokken.

Toen het einde van het tweede jaar naderde en de Leidraad weer over de metingdag begon zei de bevolking Immärdårk nog niet kwijt te willen en zo gebeurde het jaar na jaar. Tot in het vijfde jaar. Toen besloot de Leidraad onder invloed van de burgemeester van de stad de metingdag af te schaffen en na de regering Immärdårk de bevolking te laten stemmen over wie de eerste burgemeester zou moeten worden. Tot grote treurnis van het dorp was Immärdårk geen lang leven beschoren. Toen hij aan zijn vijftiende succesvolle jaar zou beginnen overleed hij plotseling. Twee weken lang was het gehele dorp in rouw en werd er niet gehandeld. Hij kreeg een graf naast alle andere Leidraadvoorzitters. Daarop was het volgende te lezen:



Hier rust de laatste leidraadvoorzitter met de langste ambtstermijn van vijftien glorieuze jaren. Hij bracht zijn dorp uit het isolement van het bos en begon te handelen. Bij zijn geboorte gaf men hem de naam Immär, maar door zijn veelvuldig nachtelijk leven gaf men hem de naam: Immärdårk.