Thuis boeken schrijven
 

Master Mind

ERIC NAAR ZORC

Het geratel van een haastige koets verscheurde de stilte in het dorp. De zon kondigde zich in het oosten nog niet eens aan, toen Eric zijn ogen opendeed. Hij was de zoon van de waard en daarom gewend aan het geluid van aankomende en vertrekkende wagens. Maar deze keer kwam de koets met zo’n snelheid aanzetten dat hij er wakker van werd. Hij hoorde dat de koets uit het oosten kwam. Het dichtstbijzijnde dorp in die richting was meer dan dertig kilometer verderop, dus zouden ze nieuwe paarden nodig hebben. En inderdaad, de koets stopte voor de herberg. Zijn vader was al op weg naar beneden voordat de eerste schreeuw te horen was. Deze keer kwam er maar één schreeuw en het geluid sneed door zijn ziel. Kwam dat van een mens? Stilletjes kwam Eric uit zijn bed, sloeg zijn jas om en ging naar een raam dat over de straat uitkeek. Als hij uit dit raam voorover leunde kon hij de ingang van de eerste box zien. Die was nu leeg. Het was net na volle maan en met die zilveren parel hoog aan de hemel was het niet moeilijk de dingen buiten te onderscheiden.

Toch moest hij twee keer kijken voordat hij de koets zag. Die was helemaal zwart. Zelfs het paard was bedekt door een gitzwart kleed. Het enige wat hij kon zien was de weerkaatsing van het licht van de maan in het ene zichtbare oog van het paard, en – toen hij eenmaal wist waar hij kijken moest – een vaag silhouet. Erics vader liep naar buiten en ging naar het paard om het te vervangen. Maar voordat hij het aanraakte zei een stem: “Laat dat. Geef het wat te eten en te drinken en geef mij je beste whisky.” ‘Het moet een mens zijn,’ dacht Eric. Hij wist dat de geesten van de nacht geen whisky dronken. Een kleine beurs werd uit de koets gegooid en raakte de grond met het geluid van geld. Erics vader raapte het op en liep naar binnen. Op dat moment voelde Eric een vreemd soort kou. Hij rilde en trok zijn jas dichter om zich heen. Plotseling merkte hij dat er iemand achter hem stond. Toen hij zich om wilde draaien werd er een scherpe punt in zijn rug gedrukt en fluisterde een stem: “Ja, dat is een mes. Draai je hoofd niet naar me toe, daar ga je aan dood. Loop nu langzaam naar buiten. Neem de zijdeur. Zorg dat je vader je niet ziet. Als hij dat wel doet, zijn jullie er allebei geweest.” Langzaam draaide Eric zich naar de trap. Half en half hopend dat zijn vader zou komen om hem te redden; maar er was geen kans want de man achter hem hield het mes klaar in zijn rug.

Eric pakte zijn laarzen en liep naar de hoek van het huis. Hij hoorde zijn vaders stem, dus hij hield in. “Goed zo,” fluisterde de man achter hem. Het duurde niet lang voordat zijn vader weer naar binnen ging. “Ren naar de koets,” was nu het bevel. Terwijl Eric blootsvoets rende verwachtte hij het geluid van zware laarzen op de stenen achter hem. Maar hij hoorde in het geheel geen geluid. Tijd om daarover verbaasd te zijn kreeg hij niet. Toen hij bij de koets kwam werd hij door twee sterke handen naar binnen getrokken terwijl de niet menselijke stem mompelde: “Goed zo Adam.” Eric werd in een hoek van de koets gedrukt, waarna hij met rust gelaten werd. Het was donker binnen. Hij wapperde met zijn handen vlak voor zijn ogen maar hij wist niet zeker of hij ze nu wel of niet kon zien. En er was die moeilijk te beschrijven geur; een geur alsof er een lijk in de koets lag, maar veel zoeter dan normaal. Hij voelde dat Ulrich naast hem kwam zitten. De geur werkte snel op zijn zenuwstelsel en zijn vermoeide lichaam. Op het moment dat ze vertrokken was Eric diep in slaap.

Toen hij wakker werd was het nog steeds donker; of was het weer donker? Eric had niet het flauwste vermoeden van tijd. Alles wat hij merkte was dat de koets was gestopt. Na een paar minuten realiseerde hij zich dat ook het dak eraf was gehaald, want hij voelde regendruppels. De laag wolken moest heel dik zijn want het was nog steeds erg donker. Hij kon de maan niet zien, noch enige vorm om hem heen. De regen werd langzaam heviger, en Eric keek uit naar een plek om te schuilen. De regen was koud, en hij had nog steeds alleen maar zijn jas aan. Al gauw rilde hij over zijn hele lichaam. Alsof iemand zijn gedachten las ging er vlakbij een deur open. Vanachter die deur kwam een fel licht dat de omgeving een beetje kleur gaf. Voor het eerst kreeg Eric de kans goed om zich heen te kijken. Het zwarte kleed, dat over de koets had gehangen, was nergens meer te bekennen. Het bleek dat de koets niets anders was dan een kaal houten skelet. Zelfs de zitting bestond uit niets dan hout. Waarom leek het dan alsof hij op de zachtste kussens zat die hij in zijn leven had gekend? Toen het licht naderbij kwam bleek dat het gedragen werd door een vriendelijk uitziende dienstmeid. Een warme moederlijke stem vroeg: “Heb je het koud? We hebben binnen een warm bed voor je klaargemaakt. We hebben de hele week op je gewacht!” Maar kwam die stem van de dienstmeid? Hij kon niet zien of ze haar lippen bewoog. En wat bedoelde ze met ‘we hebben de hele week op je gewacht’? Had hij een week geslapen? Hij kon het nauwelijks geloven. Zijn hoofd zat zo vol met vragen dat hij niet wist welke eerst te stellen, en dus bleef zwijgen.

In plaats daarvan keek hij gauw om zich heen en stond op om de dienstmeid te volgen. De omgeving gaf hem weinig hoop ooit zijn dorp nog eens terug te vinden. Aan alle kanten groeide een dicht bos; hij kon geen weg zien waarover de koets kon zijn gekomen. In het midden van de kleine open plek was een klein hutje. Er was een helder licht binnen, maar het leek te klein voor het ‘warme bed’ en de ‘wij’ waar ze het over had. Met meer vragen in zijn hoofd dan hij ooit verwachtte beantwoord te krijgen, volgde hij de dienstmeid. Met elke stap die hij naar de deur toe nam leek het hutje kleiner te worden. Toen hij er pal voor stond leek het alleen nog maar uit de deur te bestaan. Buiten was de donkere nacht, binnen het verblindende licht. Hij kon aan de andere kant van de deur alleen maar het licht zien. Voordat ze hem door de deur hielp hield de dienstmeid stil en zei: “Als je door de deur stapt zal je leven veranderen en zul je het nooit meer kunnen maken zoals het was, of het je nou bevalt of niet. Als je niet door de deur stapt, zul je op eigen gelegenheid je weg naar je dorp terug moeten vinden. Het is meer dan een maand lopen hiervandaan in noordoostelijke richting. Maak je keuze.” Toen Eric heel even aarzelde zei ze met bevelende stem: “Nu!” Hij voelde dat hij geen echte keuze meer had. Een onzichtbare kracht trok hem door de deur, het verblindende licht in.

Hij knipperde nog steeds met zijn ogen toen hij ontdekte dat het licht verdwenen was. Alles was veranderd trouwens. Het enige dat hetzelfde bleef was de dienstmeid aan zijn zij. De deur was achter hem dichtgegaan, en voor zich zag hij een grote woonkamer, verwarmd door een helder vuur. Op de vloer lagen zachte tapijten, aan de muur hingen talloze schilderijen. Aan zijn linkerhand was een grote boekenkast waar een tafel voor stond. Rond de tafel stonden rechte stoelen. Op de tafel lagen een boek en een pen op een papier waarmee iemand nog niet zo lang geleden geschreven moest hebben. Aan deze kant zag hij niemand.

Rond het vuur stonden zes lederen sofa’s en aan zijn rechterhand bevond zich een perfect gedekte eettafel. Er was echter geen eten geserveerd, en uit wat de keuken leek te zijn kwamen geen geuren. Eén van de sofa’s stond tussen Eric en het vuur, met de rug naar hem toe. Toen Eric een tweede keer naar de stoel keek, zag hij een krinkeltje rook boven de leuning uit komen. Er zat dus iemand in de sofa te roken. Op het moment dat dit tot hem doordrong klonk er een stem uit de sofa: “Je kunt nu naar bed Dina.” De dienstmeid verdween door één van de deuren naast het vuur. “Zorc, kom hier,” zei de stem. Eric keek om zich heen of er iemand anders in de kamer was, toen naar de deuren aan weerszijden van het vuur. Niemand verscheen, en meteen voelde hij zich door een mysterieuze kracht naar het vuur getrokken.

“Ik heet…” begon Eric.

“Het maakt me niet uit hoe je buiten heette, hier heet je Zorc. En spreek nooit voor ik je daartoe opdracht geef.”

Eric bleef stil.

“Goed zo Zorc. Je leert snel. Ik noem je Zorc omdat dat de naam was van je voorganger. Ik heb zes leden van mijn familie nodig. Ik heb er nu maar vijf! De stem viel stil en de rook over de stoelleuning verdikte. Eric wist niet wat hij moest doen. Net voordat hij weer iets wilde zeggen kwam er weer leven in de stem:

“Ik zei dat je stil moest blijven.”

‘Hij leest mijn gedachten,’ dacht Eric.

“Dat doe ik inderdaad. Doe één stap naar voren en kijk naar me.”

Eric zette één stap en keek in de sofa. Er zat een heel oude man een grote pijp te roken. Eric had geen flauw idee hoe oud de man was, maar hij was er zeker van dat hij ouder was dan Eric ooit had gezien. De stem klonk echter niet oud genoeg; leek niet te horen bij dat overleefd lijkende lichaam.

“Je kunt me Master noemen,” zei hij. “Ik weet wel hoe ik in leven moet blijven, maar ik heb nog geen manier gevonden om mijn lichaam jong te houden. Jij bent precies waarvoor ik Ulrich had uitgestuurd. Mooi. Mooi…” En weer was er een lange stilte.

Daarna mompelde hij: “Zo vergelijkbaar met de oude Zorc.” En vervolgens met krachtige stem:

“Oké, morgen zal ik je aan de rest van mijn familie voorstellen, nu heb je slaap nodig. Ga naar boven door de deur naast het vuur. Daar vind je een leeg bed. Nog vragen?”

“Ja, meneer,” zei Eric.

“Master – ik heet geen meneer!”

“Master, hoe is de oude Zorc omgekomen?”

Er kwam een glimlach op Masters gezicht. “Dat vragen ze altijd als eerste. Zorc? Oh, die pleegde zelfmoord. Zoals altijd. En nu naar bed.”

En daarmee trok de mysterieuze kracht Eric naar de linker deur naast het vuur. Toen Eric de deur aanraakte vroeg Master:

“Waarom die deur?” Eric verstomde. Gewoon, daar werd hij heen getrokken! Maar was dat wel het goede antwoord?

“Volgende keer moet je wel een antwoord verzinnen als ik je iets vraag. Ga nooit en te nimmer door die andere deur. Dat is mijn slaapkamer. De oude Zorc deed dat eens in zijn leven.”

Eric kreeg geen opdracht iets te zeggen, dus deed hij de deur open en ging naar boven.

ADAM GING

Zorc werd wakker van een geluid in het bed naast hem. Frederic draaide zich om in zijn slaap. Zorc zuchtte, draaide zichzelf om en probeerde weer te slapen. De afgelopen paar nachten had hij slecht geslapen. Hij wist waarom. Zijn laatste toetreding-tot-de-Familie-test kon hem elk moment afgenomen worden. Hij was ondertussen zo ver dat hij ook echt bij de Familie wilde horen.

Hij herinnerde zich zijn eerste nacht nog heel goed. Zijn hoofd zat toen zo vol met vragen dat hij ook toen geen goede nachtrust had gehad. Maar toen had hij nog niet zo lang daarvoor in de koets geslapen. Adam had hem boven opgewacht en hem naar zijn bed gebracht. Hij had toen gemompeld: “Ik ben de baas, na Master. Er zijn bepaalde dingen die ik kan doen zonder dat Master het weet,” en daarop stopte hij hem in. De volgende morgen kwam Zorc erachter dat dat het bed naast Frederic was. Allemaal later…

Er was geen geluid maar toch werden ze allemaal tegelijk wakker. Zonder een woord te wisselen kleedden ze zich aan, wasten hun gezichten met ijskoud water en gingen naar beneden. Zorc, de jongste, liep voorop, met achter hem Frederic die hem een handje hielp. Aan de ontbijttafel zat Master al te wachten. Nog altijd zwijgend gingen ze zitten, Zorc zat tegenover Master. Pas toen Master zijn eerste hap nam begon iedereen te eten. Toen begon Master te praten. Deze keer alleen maar tegen Zorc.

“Toen ik jonger was droomde ik van een gezin met 26 kinderen. De eerste Zorc was de vijfde en het zijn er nooit meer geworden. Nu weet ik dat dat ook nooit meer zal gebeuren. Jullie plegen te snel zelfmoord. Ik beloofde je gisteren dat ik je zou voorstellen. Iedereen kent jouw naam al. Hier rechts van me zit Adam, hij was mijn eerste zoon, en naast hem zit Ulrich. Links van mij zit Frederic, en naast hem zit Matthias. Adam is hier nu het langste, maar ik heb mijn grote hoop op jou gevestigd. Voorlopig moet je doen wat Adam zegt als ik er niet ben.”

Dat was nu al lang geleden. Er was iets vreemds gebeurd met zijn tijdservaring. Sinds zijn aankomst waren er veel vreemde dingen gebeurd. Iedere dag leek zo op de vorige dat hij nu niet meer wist hoe lang hij hier eigenlijk was. In de spiegel leek hij niet veel ouder maar als iemand hem had verteld dat hij hier al vijf jaar was dan had hij dat geaccepteerd. Niet zo lang geleden – of toch wel? – had Master hem apart genomen en verteld dat zijn training er op zat en dat het alleen nog maar wachten was op het ‘teken’ voor zijn toetreding-tot-de-Familie-test. Hij had verbaasd gedacht: ‘Ben ik dan nog geen deel van de Familie?’ Maar hij had die gedachte afgeschermd van Masters immer oplettende brein. Eén van de dingen die hij had geleerd. Tot nu toe had hij voornamelijk eenvoudige mentale trucjes geleerd. Zijn brein afschermen bijvoorbeeld. Maar ook zoeken naar onbeschermde gedachten. Hij had nog maar twee keer iets kunnen lezen uit Matthias’ onbeschermde brein. Eenvoudiger was het de paarden met gedachten te besturen. Met dit soort zaken hadden ze hem bezig gehouden. Dat dit ooit zou veranderen was duidelijk.

Hij overdacht dit alles steeds weer tijdens de nachten dat hij niet kon slapen. Zo ook deze nacht. Het leek echter langer dan ooit te duren voordat het ontbijt kwam. Hij draaide en draaide maar. Tot hij verzuchtte ‘Lieve Master, wanneer komt de zon nou eindelijk op?’ en dat was het moment dat de eerste zonnestraaltjes door de ramen vielen. Onmiddellijk werden ze wakker geroepen. Master wekte hen met zijn brein. Toen ze naar beneden gingen waren er maar vier over. Adam was er niet. Er werden geen vragen gesteld, maar ineens leek iedereen te weten dat hij Masters kamer was binnengegaan. Waarom? Wat had ervoor gezorgd dat hij zoiets doms deed? Dacht hij werkelijk dat hij zich met Masters krachten kon meten? Er werden hardop geen vragen gesteld, noch werden er vragen mentaal beantwoord. Aan de ontbijttafel wendde Master zich tot Frederic.

“Jij bent hier nu het langste. Het is nu jouw taak een nieuwe Adam te vinden.”

Verder, zoals gewoonlijk, was er geen geluid behalve dat van vijf etende mensen. Het leven buiten werd plotseling veel zwaarder. Met slechts drie om het werk van vijf man te doen, vroeg het alles van hun mentale krachten. Matthias, de vaardigste nu Frederic de moeilijkste taak in de dorpen deed, maakte indruk op Zorc door de paarden met de oogst naar huis te dirigeren terwijl hij zelf hout sprokkelde voor de nacht. Ulrich kreeg de taak de koeien te melken, en hij haalde ze met zijn mentale kracht uit het bos. Het enige nuttige dat Zorc met zijn beginnende krachten kon doen, was de vogels en konijntjes stil laten zitten terwijl hij ze moest vangen voor de maaltijd.

Zwaar werk voor Zorc, want deze wilde dieren zijn uiterst gevoelig voor de minste of geringste agressieve gedachte. Was het voor de meeste mensen al lastig ze te benaderen zonder enige gewelddadige intentie, Zorc moest ze vermoorden, terwijl hij alleen maar liefde aan het dier mocht laten zien; zowel fysiek als mentaal. Met de druk van de zeer wel aanwezige dreiging van Masters woede op hem, ging het beter bij ieder nieuw slachtoffer. Stress leek hem wonderen te doen verrichten.

Hij moest nog één konijntje, en hij voelde er eentje niet zo ver bij hem vandaan. Langzaam leegde hij zijn brein, liet het vervolgens vollopen met liefde en daarna zelfs overstromen, de stroom naar het dier toe sturend. Als het in één keer goed ging, kon hij nog net op tijd zijn voor de maaltijd. Voorzichtig liep hij naar het konijntje, dat dacht dat er een welwillend persoon onderweg was. De laatste halve meter zou nog steeds aankomen op snelheid, Master zei dat dat zelfs voor hem gold. Maar dat was niet het belangrijkste stuk. Dichter en dichterbij. Op het moment dat hij wilde toeslaan werd zijn brein gespleten door een mentale noodkreet. Dat bracht hem uit zijn concentratie, waarna het konijntje verdwenen was. Verloren voor een lange tijd. Een dier dat eenmaal emotioneel bedrogen is wantrouwt nog lang. Het zal een eenzaam en ongelukkig leven leiden. Het is dood beter af.

Wat was de gil geweest? Het was angst. Was het alleen maar Master die Zorcs concentratie testte? Maar was er geen eenvoudiger manier te bedenken om hem uit balans te brengen? Zulke paniek nabootsen was toch niet nodig. Of was het niet nep? De angst had een bittere mist om de randen van zijn brein gelegd, en die was nog niet aan het verdwijnen. Het zou best echt kunnen zijn. Maar er was niemand in de omgeving die zo wanhopig kon zijn. De dichtstbijzijnde buren waren god weet hoe ver weg. En in het huis was niemand… Of toch? Wat was er met Adam gebeurd? Hij was Masters kamer binnengegaan, maar wat toen? Zorc wist het niet. Hij zou het Matthias vragen wanneer hij hem weer zou zien. Bij die gedachte brak Master in. “Vraag dat niet.”

Zorc schrok ervan. Master bleek toe te kijken, en hij had nog steeds dat ene konijn nodig! Even stond hij stil. Hij kon het bedrogen konijntje in de buurt voelen, maar het was hopeloos het nogmaals te proberen. Hij had alleen een klein mes… In bijna de tegenovergestelde richting voelde hij er nog een, een jongere. Deze keer werd hij niet gestoord, en toen hij het bij de andere konijnen legde drong Masters waarschuwing tot hem door: eten! ‘Net op tijd,’ dacht Zorc, en haastte zich terug naar het huis.

WEEK VRIJ

Op een dag kondigde Master aan dat hij een weekje weg zou zijn. Blijkbaar was er een nieuwe Adam gevonden. Daarmee bleven er vier – Dina meegeteld – alleen thuis. Master had zijn vertrek goed voorbereid: de afgelopen week had hij ze harder laten werken dan normaal, zodat ze goed bevoorraad waren. Van Zorc mocht Master een maand weg blijven. Zorc bewonderde de man, maar voelde geen affectie. Wat Master met zijn brein kon maakte een diepe indruk. En als ze een beetje zuinig waren konden ze het met deze voorraden wel een maandje uithouden. Dina was er nog steeds om het huishouden te doen, dus leek het alsof er een vakantie aan zat te komen.

De dagelijkse routine veranderde inderdaad behoorlijk. Bedtijd werd niet meer door Master bepaald, noch de tijd om op te staan. Met zoveel lege stoelen om de eettafel, besloot Dina op eigen houtje dat ze wel met de jongens mee kon eten. Dit was de eerste keer dat Zorc echt met haar te maken kreeg. Dina bleek een timide meid, maar ze had elke gelegenheid die ze kreeg aangegrepen om te luisteren naar Master als hij les gaf. Dat was in ieder geval wat ze vertelde.

Om haar vrije uren door te komen, had ze zich geoefend in het oproepen van illusies. Ze was er erg goed in geworden. Fantasiefiguren tekenen op een open plek in de kamer, die ze vervolgens een voorstelling liet opvoeren. Meestal was er niemand die het zag, omdat ze van Master nooit bij de jongens mocht zijn. Op een nacht vertelde ze dat ze vaak erg eenzaam was. Niemand om zich heen, niemand om mee te praten. Op zulke trieste momenten ging ze steeds zitten en zorgde er zelf maar voor dat ze gezelschap kreeg; al was het dan van zichzelf. Nu waren er echter anderen die mee keken, en dat leek haar op te winden. Eenmaal spelend met haar illusies begon de verlegen Dina te glimmen van enthousiasme, en liet ze zich van haar beste kant zien. En het lukte haar goed om indruk te maken! Geen van de jongens had het spelen met illusies veel aandacht gegeven. Master had gezegd dat het iets was wat hij wel eens gedaan had toen hij jonger was; en daar was het bij gebleven.

Maar het was zeer de moeite waard, ontdekte Zorc op de lange avonden rond het vuur. Dina wist hoe ze allerlei illusies kon laten spelen. Soms liet ze alleen maar een paar kleuren door de ruimte zweven, die ze in elkaar liet draaien tot de meest fascinerende transparante driedimensionale kleurformaties. Andere keren liet ze figuren een heus theater opvoeren.

Eén van de avonden riep Dina een tweeling op. Ze groeiden op in een door oorlog verscheurd land. Om de andere dag trok er een konvooi soldaten en kanonnen door hun dorp. Maar nooit kwam er één soldaat terug van het front. En dat front kwam steeds dichter bij het dorp, tot er in het dorp gevochten werd. En het was een wilde oorlog. Niets werd gespaard, en het dorp werd al snel van de kaart geveegd. Niemand overleefde deze hel, behalve de tweeling; hoe ze dat voor elkaar kregen bleef buiten beschouwing.

In de loop van die tijd hadden de broers een toverkracht ontwikkeld. Alsof de oorlog nog niet genoeg was geweest, werd de situatie gespannen tussen de twee broers. Het kwam zelfs tot een gevecht, en geen van beiden liet zijn magische krachten ongebruikt. Beiden met zware verwondingen verlieten de broers elkaar. De ene ging weg, de andere bleef in het dorp. De reiziger zag alle hoeken van de wereld en gebruikte zijn magie waar dat nodig was. Meestal was dat slechts voor vermaak in de dorpen en steden waar hij verbleef. Het zorgde voor een vriendelijke atmosfeer, en zo bleef hij in leven.

Opeens staakte Dina haar spel. De figuren losten op alsof ze er nooit waren geweest. Ze schudde haar hoofd en zuchtte: “Dat had ik niet moeten doen…”

“Dat was toch Guillaume?” vroeg Matthias.

De enige reactie die ze kregen was een mentale knik. Dina stond op en ging naar bed. Zorc durfde niet te vragen wie Guillaume was. De sfeer die er plotseling hing snoerde hem de mond.

Omdat Dina naar bed was gegaan was het vermaak voorbij. De jongens wilden uit angst om een flater te slaan hun kunsten niet proberen. Het zou zeker saai lijken vergeleken bij Dina’s ervaren spel. Zonder een echt onderwerp om over te praten, kwam ook voor hen de slaap al gauw om de hoek kijken, dus gingen ook de drie jongens naar bed.

Het leven begon weer een vaste routine aan te nemen, naarmate Masters terugkomst dichterbij kwam. De eerste dagen waren ze allemaal lui geweest en hadden er een bende van gemaakt. Die moest nu opgeruimd worden en het moest er op zijn minst op lijken dat ze wat gestudeerd hadden. Hoewel Master op elk gegeven moment in hun brein kon kijken waren ze ondertussen genoeg geoefende acteurs om hem een poosje voor de gek te kunnen houden. Lang genoeg om hem onder de indruk te laten zijn van hun kunsten; en dan nog, volgens de anderen was Master altijd erg goed gemutst als er een geschikte nieuweling gevonden was. Hij zou ze hun gedrag niet te zwaar aanrekenen

De laatste twee ochtenden van de week besteedden ze aan de grote opruiming. Dina’s gegiechel om hun gestuntel was niet bepaald vleiend, maar ze waren dan ook waardeloze huishouders. Na de lunch besteedden ze hun tijd boven hun eigen kopieën van Masters boek. En natuurlijk probeerden ze hun nieuwe kunsten op elkaar uit. Ze studeerden het meest op de controle over anderen. Zelfs Matthias, de oudste, leerde nieuwe dingen. De enige op wie Zorc kon oefenen was de arme hond die ze buiten hadden gevonden.

De laatste dag stond Zorc ineens op, overvallen door een enorm schuldgevoel jegens het arme dier. Halverwege hun lesuur liep hij de tuin in tussen de hoge bonenstaken die hoger leken dan hij zich herinnerde. Hij wilde de hond niet eens roepen met zijn mentale krachten, zo schuldig voelde hij zich voor het gebruiken van het beest. Toen hij aan het eind van de rij kwam zag hij de hond een eindje verderop stil staan. Blij dat het beest eindelijk niet meer wegrende liep Zorc ernaar toe. Na drie stappen zakte hij tot zijn knieën in de grond. Hoe had hij de overloop van de septic tank kunnen vergeten? Hij wist dat die hier was en hij wist dat de grond hier in het natte seizoen erg zacht was. Nog één stap en hij zou tot aan zijn kin in de zooi verdwenen zijn!

Hij voelde zich ineens niet meer schuldig tegenover de hond, en zich erg generend liep hij terug naar het huis. Om zichzelf het gelach van de anderen te besparen, en niet te stinken naar de blunder die hij had begaan, ging hij eerst naar de achterdeur waar hij een kraan wist. Eenmaal daar aangekomen zag hij Dina en Ulrich hartelijk staan lachen. Matthias stond er tevreden bij te kijken: hij was erg trots op zijn mentale krachten!

DE NIEUWE ADAM

De volgende morgen werden ze gewekt met een lied. Een prachtig lied, gezongen door een diepe bas. Toen Zorc zijn ogen opende zag hij Master in hun kamer staan; hij zong. Master kwam nooit boven en hij zong ook nooit. Toen ze allemaal overeind zaten stopte Master met zingen en begon blij te glimlachen, weer iets wat Zorc nog niet gezien had. Met een vriendelijke toon in zijn stem zei Master:

“We hebben een nieuwe Adam gevonden. Hij zal vanavond wakker worden en Dina zal hem net na bedtijd naar binnen brengen. Wees een beetje voorzichtig met hem; hij is nog zo groen!” Met een kort lachje ging Master naar beneden. Niet lang daarna waren ze allemaal beneden en zaten ze te ontbijten.

Hoewel noch Master, noch Frederic de afgelopen week hadden geslapen – Master had eens gezegd dat een nieuwe halen zwaar werk was – zagen ze eruit alsof ze niets anders hadden gedaan dan slapen. Opeens richtte Master zich tot Zorc:

“Hier hebben we op gewacht. Komende week zal je test zijn. Ik zal met een paar andere zaken bezig zijn. Jij moet ervoor zorgen dat Adam rustig slaapt en ophoudt met dromen over de plaats waar hij vandaan komt. En eh, vergeet zelf ook niet te slapen.”

Zorc was nog niet bijster onder de indruk. Als dat alles was, was hij al geslaagd; tenminste dat dacht hij. Het was helaas niet zo eenvoudig als het leek. Adam bleek nog een kleine jongen, en erg gevoelig voor heimwee. En dat is iets waar je moeilijk overheen komt. De beste manier is een leefomgeving om je heen creëren waarin je het wel naar je zin hebt. Maar helaas, dat was in Masters huis niet mogelijk. Er werd een leven geleid zoals hij dat voorschreef, of je dat nou leuk vond of niet. De enige overgebleven manier was nog om te leren te leven met het heimwee; maar dat was bijna onmogelijk.

Eenmaal naar boven, lag de jongen in het bed naast Zorc. Zorc legde voorzichtig contact met zijn brein. Het brein dat hij vond leek erg veel op dat van hemzelf zoals het eruitzag toen hij hier voor het eerst was. Zo open als een boek en vol met vragen. ‘Waarom ben ik hier? Wat is dit voor een huis? En waarom ik? Ik was zo blij als de zoon van de waard!’

Zorc raakte even van zijn a propos. De waard? Waren ze allemaal zoontjes van waarden? Heel even reisde Zorc terug in zijn eigen herinnering; iets wat hij nog niet had gedaan sinds hij bij Master woonde! Waarom deed hij het nu dan wel? Hij moest laten zien wat hij kon! Zijn brein ging met die gedachte terug naar de jongen in het bed naast hem.

Eerst troostend, en ondertussen andere gedachten stimulerend zodat als Adam eenmaal sliep, Zorc zelf zijn rust zou krijgen. Maar het werkte niet. Steeds weer gingen de gedachten van Adam terug naar zijn aardige dorpje op de vlakte. Langzaam begon Zorc dat dorpje te haten, want het zorgde ervoor dat hij zelf geen slaap kreeg. Door deze opkomende haatgevoelens kon hij de jongen ook niet zo goed meer troosten. Uiteindelijk gaf hij het op. Hij werkte zichzelf bij de belangrijkste delen van Adams brein naar binnen en dwong hem in slaap. Maar ook op deze manier kreeg Zorc geen slaap. Iedere keer dat Zorc insluimerde dacht Adam weer aan zijn dorpje en dat zou hem binnen niet al te lange tijd weer wakker maken. En dat kon deze week niet gebeuren!

De dag erna voelde Zorc zich verrassend fit. Hij had maar een klein deel van zijn krachten nodig om de slapeloze nacht te verbergen. Maar hij wist dat hij een week zonder slaap niet kon verbergen. Master zei niets, maar hij keek langer naar Zorc dan gewoonlijk. ‘Deel van de test,’ zei Zorc tegen zichzelf. ‘Hij weet het niet.’ Zorc had namelijk gemerkt dat Masters geest niet aanwezig was geweest de afgelopen nacht. Waar was hij geweest?

Het dagelijks leven kreeg zijn gewone routine. Het werk buiten moest gedaan worden. De septic tank kreeg zijn onderhoudsbeurt. Matthias kreeg die opdracht. Achter een mentaal scherm stuurde Zorc hem een stille lach, waarna Adam zijn tong uitstak. God straft niet altijd onmiddellijk, maar plagen gaat nooit zonder enige vorm van repercussie. De lessen waren erg saai, omdat Adam nog de meeste aandacht van Master opeiste. Tijdens elke avondmaaltijd begon Masters geest uit te treden. Zijn lichaam was er nog wel, maar hij zelf leek ver weg.

Al vanaf de tweede nacht werd het steeds eenvoudiger om Adam rustig te laten slapen. De jongen was nieuwsgierig geworden naar de mogelijkheden van mentale krachten. Het was niet moeilijk meer om zijn onbeschermde geest aan iets anders te laten denken dan aan zijn heimwee.

De derde nacht kreeg Zorc zelf wat slaap en op de vierde nacht had hij zelfs nog wat energie over om zich af te vragen waar Master naar toe was gegaan. Het duurde echter tot de zesde nacht voordat Zorc een kans kreeg Master te volgen. Masters geest ging inderdaad ver weg; en snel. Onderweg veranderde hij zijn beeld van hoe hij eruitzag naar een goed uitziende jonge man gekleed in exotische kledij uit de tijd dat hij jong was. Zorc merkte al gauw dat ook Frederic, Matthias en Ulrich mee gingen – allen slechts een geest, hun lichaam bleef thuis.

Ze gingen naar een begraafplaats. In het midden was een mysterieus helder licht zonder duidelijke bron. In een grote halve cirkel rond het licht stonden een paar honderd geesten. Midden in die cirkel stond een mooie dame met goudblond haar in prachtige kleding van dezelfde mode als die van Master; haar ogen waren gesloten. Zonder een duidelijk commando vormden de vier jongens de andere helft van de cirkel. Master ging naar het licht. Toen Master de cirkel binnenging opende ze haar ogen en pakte hem vast.

“Jean…” fluisterde ze. De geesten in de cirkel begonnen een lied te neuriën terwijl de vrouw en Master een mysterieuze dans begonnen te dansen. Er was schijnbaar geen patroon, noch enige herhaling. Toch wisten ze allebei perfect hoe de dans uitgevoerd moest worden, elkaar op het juiste moment vasthoudend. Toen het begon te schemeren stonden ze een ogenblik wang aan wang. Nog eenmaal hielden ze elkaars handen vast en toen was de magie verdwenen. De cirkel brak open toen de geesten terug gingen naar hun slaapplaatsen, zij konden het daglicht niet verdragen.

Ook Master moest voor zonsopgang thuis zijn. De manier waarop Masters geest zijn lichaam verliet kon hem doden. Geen van zijn studenten kon dat doen. Master weigerde het hen te leren. De helft van hun tegenwoordigheid van geest bleef thuis. Als ze wakker zouden worden, zouden ze terug gezogen worden in hun lichamen, hoelang het ook geduurd had. Zorc vond dat niet echt erg. Hij kon niet overlijden aan zijn uittredingen, maar de ervaring leek al erg intens.

De volgende morgen bij het ontbijt had Zorc moeite te doen alsof er niets was gebeurd. Maar Master was er heel duidelijk in geweest dat Adam er niets van mocht weten. Master richtte zich tot Zorc, op een privé-frequentie. Hij zei dat de komende nacht de laatste nacht van zijn test zou worden. “Je hebt verrassend goed gepresteerd, tot nu toe. De enige die me vóór jou kon volgen op deze nachten was je voorganger Zorc. En hij kon het alleen maar tijdens de zevende nacht. Ik heb veel hoop op je gevestigd…” En de laatste zin eindigde in een zucht.

Tijdens de lessen deed Adam het erg goed. Of was het Master die hem een steuntje in de rug gaf, om hem te helpen indruk te maken op de andere jongens en zijn zelfvertrouwen wat te stimuleren? Zorc wist het niet zeker. Als Master zijn gedachten afschermde deed hij dat goed.

Die nacht had Zorc geen moeite meer Adam in slaap te krijgen, omdat hij al droomde van wat hij kon doen met wat hij had geleerd tijdens het avondeten. Het joch had een grote voorliefde voor illusies. Zorc was de eerste die Master naar buiten volgde. Weer naar het kerkhof waar dezelfde scène werd opgevoerd. De vrouw reikte naar zijn hand en fluisterde: “Jean…” en daarna begonnen ze hun mysterieuze dans te dansen. Zorc kon zich niet herinneren of alle stappen en draaien dezelfde waren als die van afgelopen nacht. Hij merkte niet eens dat het lied dat ze neurieden anders was; het werd uitgezonden op een onderbewust niveau. Hij was gewoon één van de speakers. De dans eindigde eerder dan de vorige nacht. Zorc merkte dat wel. Ze schuifelden dicht tegen elkaar aan in de cirkel. Nog voor de schemering begon zij een gesprek.

“Waarom ben je niet bij me?”

“Ik ben er, nu…”

“Je weet wat ik bedoel.”

“En jij herinnert je mijn eed?”

“Ja, maar vorig jaar zei je dat je ging verliezen. Waarom geef je het niet op en kies je niet voor geluk. Ik wil hier weg…”

“Ik heb wel het gevoel dat ik aan het verliezen ben, maar dat betekent niet dat ik al verloren heb. Er is nog hoop…”

“Er is nog hoop op eeuwig ongeluk voor ons…” En terwijl ze meer dan één traan liet rollen duwde ze hem weg.

Zorc voelde een beweging naast zich. Zijn geest was meteen weg bij de scène van de geliefden, terug in zijn lichaam. Hij opende zijn ogen en zag dat Adam weg was. Nu, in de laatste nacht, moest hij het perse verpesten!? Gelukkig was Master ook nog weg; het was mogelijk een beetje te smokkelen, maar hij wist dat er geen kans was dat hij alles kon verbergen. Hij werd waarschijnlijk al gemist op het kerkhof! Hij vloekte en voelde in het rond. De wc. Daar was de kleine opdonder! Zorc stond op en haastte zich naar de badkamer. Met al zijn beheersing verkocht hij Adam geen dreun – het joch wist immers van niks. Zorc kreeg hem terug in bed en in slaap.

Nu kwam het moeilijkste gedeelte. Hij had nooit verwacht dat hij dit ooit zou moeten doen. Hij moest het geheugen van Adam open graven, en er iets uit halen. Iets geheel laten verdwijnen was niet mogelijk, maar hij kon het op een onbewust niveau plaatsen waar vandaan Adam het niet zou oprakelen, behalve als iets van buiten af hem eraan zou herinneren; iets sterkers dan gewoon diezelfde badkamer weer bezoeken. Zorc ging voorzichtig te werk. Toen hij het geheugen van de jongen had gevonden, wandelde hij door hele lanen van herinneringen, die hem zo bekend voorkwamen, dat hij zelf weer opnieuw last kreeg van een soort heimwee.

Hij liep naar het deel waar nieuwe herinneringen werden opgeslagen. Zorc zag het wc-incident. Hij raapte het op, en bracht het naar een onderbewust niveau. Daar stopte hij eventjes. Hij draaide zich om en liep weer door de lanen van de jongen zijn dorpsjaren. Hij besloot die ook naar het onderbewuste te brengen. Stuk voor stuk; het was een uitputtend proces maar het zou hem voor heel lang van zijn heimwee ontdoen. Het leek de moeite waard.

Terwijl Zorc dit deed, realiseerde hij zich dat Ulrich net zoiets voor hem moest hebben gedaan toen hij het nieuwe joch was; zo lang geleden. Nu hij dit voor Adam deed, kwamen zijn eigen jeugdherinneringen boven. Iemands brein bewerken heeft altijd een prijs. Pas nu, wist Zorc, zou hij echt met zijn eigen heimwee te maken krijgen; pas nu echt.

Op het moment dat Zorc klaar was maakte Master hen wakker. Op zijn ouderwetse, ongelukkige manier. Zijn blije week was voorbij en hij was weer zijn oude zelf. Zorc aarzelde om Matthias te bedanken voor wat hij voor hem had gedaan. Omwille van van geheimhouding besloot hij het niet te doen. Maar daarom was hij niet minder dankbaar.

GUILLAUME

Zorc was geslaagd. Hij had het gevoel dat Master wist van het wc-incident. Het leek erop dat het een wezenlijk onderdeel van de test was geweest. Het had Zorc gedwongen het uiterste van zijn kunsten te tonen. Na de test kreeg hij een nieuw boek en daarmee gingen zijn kunsten ineens met sprongen vooruit. Hij kreeg ook nieuwe opdrachten omdat zijn oude rol nu werd gedragen door de nieuwe Ulrich. Eén keer per maand ging Dina naar de markt in de stad buiten het bos. Deze stad was een lange dagmars weg en ze had lang voordat Zorc kwam bij Master om bescherming gesmeekt. Master weigerde dat, tot ze een keer met lege handen terugkwam. Ze had nooit verteld wie haar beroofd had, maar het moest een enorme krachtpatser zijn geweest, iemand die door haar illusies heen kon kijken. Zulke mensen waren zeldzaam, had Master gezegd; Zorc twijfelde zelfs of er wel zo iemand bestond buiten het huis van Master.

Nu de rollen in het huis veranderden, ging ook de rol van Dina’s begeleider naar een ander. Die ging naar Zorc – “voorlopig,” zei Master erbij. En dus gingen ze op een morgen op pad. Dina wees de weg, Zorc droeg een lege tas. Het was voor het eerst dat Zorc het huis en de directe omgeving verliet, sinds zijn aankomst. Hij kon geen pad ontdekken, of een bepaald spoor dat ze volgden. Maar een pad waar slechts twee keer per maand wordt gelopen, wordt niet zo diep uitgesleten. Dina liep in een bijna rechte lijn, alsof ze precies wist waar ze heenging. Misschien wist ze dat inderdaad, maar voor Zorc leek het bos zich te herhalen. Soms kwamen ze op een kleine open plek; iedere keer weer leek dat dezelfde grootte en vorm te hebben. Keer op keer passeerden ze dezelfde bomen, die in hetzelfde patroon geplant leken. Zou dit ooit ophouden? Hij opende zijn mond om het Dina te vragen maar op dat moment maakte zij duidelijk dat het tijd was voor de lunch.

Ze haalden het brood uit hun zakken. Ze hadden nog geen woord gewisseld tijdens hun wandeling, behalve dat Dina – keer op keer – waarschuwde voor een wortel die verstopt zat tussen de zachte bladeren bij een boom en die er steeds weer precies hetzelfde uitzag. Ze zei nog steeds niets maar ze zette een illusie neer op het gras voor hen. Het was een onschuldig beeld. Het vertelde geen verhaal, ze liet gewoon wat kinderen een spelletje spelen. Een leuke afleiding bij de statige bomen, die daar alleen maar stonden te staan.

Plotseling vloog er een pijl tussen hen door, die één van de kinderen van Dina’s illusie recht in het hart trof. Toen de eerste schrik voorbij was, leek het alsof Zorc de pijn van het kind zelf kon voelen. Hij vroeg zich af hoe Dina zo’n krachtige illusie kon neerzetten, maar toen hij naar haar keek zag hij dat het niet meer haar illusie was. Zij was gestopt, maar de kinderen waren er nog. Ze stonden nu stil, rond hun vermoorde spelgenootje. Verbaasd keek Zorc om zich heen. Hij had geen idee waar de illusie vandaan kwam.

Dina leek in het geheel niet verbaasd. Hij volgde de richting die zij op keek en daar zag hij de man. Hij stond tussen de bomen naar hen te kijken. Hij had halflang goudblond haar, hij was glad geschoren en goedgekleed. Zijn leren schoenen waren van goede kwaliteit, hoewel ze de sporen vertoonden van vele lange wandelingen. Zo gauw Zorc hem zag kwam de man in beweging en liep naar hen toe.

“Waar was je vorige maand? Ik heb hier uren zitten wachten…” Dina klonk boos maar haar gezicht verraadde het tegenovergestelde. Ze was blij hem te zien.

“Ik had de geruchten gehoord over die nieuwe vriend van je. Ik dacht dat ik wel een maandje zou kunnen wachten om hem te komen zien. Ik wist dat je je een beetje zorgen zou maken, omdat je nog steeds niet op je telepathische vermogens vertrouwt. Dat zou je wel moeten doen scha… eh Dina.” Terwijl hij dat zei, kwam hij nog dichterbij en raakte even haar wang aan. Misschien gebeurde er nog meer tussen hen twee, maar dat gebeurde dan achter een stevig schild; te stevig voor Zorc om zelfs maar te proberen het te doorbreken. Plotseling draaide de man zich naar Zorc.

“Wij hebben elkaar nog niet ontmoet. Ergens hoorde ik dat er een nieuwe Zorc in het huis was, en met elke nieuwe Zorc krijg ik meer hoop. Ik heb ook grote hoop op jou gevestigd. O, ik heet Guillaume. Ik weet dat Jean het niet prettig vindt zijn naam te horen, maar dat kan me niets schelen…”

Ze waren even stil. Zorc dacht terug aan die avond toen Dina het verhaal van de twee broers had gespeeld. Hij herinnerde zich Adams vraag.

“Guillaume?” vroeg hij aarzelend.

“Ah, hij heeft zijn tong gevonden! Wat is er?”

“Wie ben jij?”

“Guillaume.”

“Wie is dat?”

“Ik.”

Zo kom ik nergens, dacht Zorc. Hij probeerde het anders.

“Wie is dan je broer?”

Stilte. Guillaume keek even verbaasd. Hij keek naar Dina en zij liet blijken dat ze zich betrapt voelde.

“Oké. Ik zal je wat meer over mezelf vertellen. Ik ben Jeans tweelingbroer. Jean is je meesters echte naam. Wat je nu van mij ziet is een illusie van mezelf. Die van Dina ook trouwens. Ik ga er vanuit dat je het verhaal van de oorlog kent. Voor de oorlog was er een meisje in het dorp waar Jean en ik allebei vreselijk verliefd op waren geworden. Terwijl de oorlog in ons dorpje raasde gebruikten wij onze beginnende krachten om ons te beschermen. Dat en een primitieve schuilplaats hielp ons de oorlog te overleven. Onze schuilplaats was groot genoeg voor drie mensen. De keuze voor degene die we uitnodigden was niet moeilijk; dat meisje natuurlijk.

Ze aarzelde geen moment om ons aanbod aan te nemen, omdat iedereen om ons heen dood was of bezig was dood te gaan. Ze bedankte ons beiden, door ons allebei een beetje van haar liefde te geven. Maar voor ons bleek het onmogelijk om te delen. Liefde is egoïstisch, weet je? Dus ontstond er een gevecht, waarbij de gruwelen van de oorlog vervaagden. Ik hoop voor jou Zorc, dat je nooit zo’n gevecht hoeft mee te maken. Het resultaat was dat Jean en ik niet samen konden leven. Ik denk zelf graag dat ‘de wijze altijd toegeeft,’ maar dichter bij de waarheid is dat, hoewel míjn illusies sterker waren, Jean beter kon overtuigen. Niet met woorden natuurlijk. Gewoon heimelijk mijn gedachten sturend. Daarna leefde ik rond het dorp, en ik kon alleen maar heimelijk Dina ontmoeten, terwijl ze voedsel zocht.

Er kwam een dag dat ik besloot weg te gaan. Toen wist ik nog niet dat ze haar hart eigenlijk al aan mij had gegeven. Jean had haar brein echter geheel in zijn greep, dus bleef ze bij hem. Onthoud dat, je hart is altijd van jezelf, luister ernaar. Je brein kan voor de gek worden gehouden. Ooit kan dat je leven redden.”

Guillaume nam een slok van de fles die Dina hem aanreikte. Toen ging hij verder:

“Ik ben in veel landen geweest sinds die dag, maar sinds Jean zijn familie van slaven heeft kom ik ieder jaar hier terug om één dag samen te zijn met de vrouw waar ik mijn hart mee deel. Dit jaar, voor het eerst, ben ik een maand te laat. Daarom was Dina daarnet boos op me.” En daarop keek hij even plagend naar Dina en zei: “Vrouwen zijn veeleisend…” Hij pauzeerde even, en nu wist Zorc dat er meer gaande was dan er gezegd werd. Hij wachtte echter bescheiden tot Guillaume verder ging.

“En zo leven we, terwijl we wachten tot een van ons sterft. Ik heb gezworen lang genoeg te leven om een aantal jaren met Dina samen te kunnen zijn. Jean heeft uiteraard gezworen dat hij mij dat plezier niet wil gunnen. En Dina? Ik geloof dat zij Jean niet het plezier van de overwinning wil geven. Als zij zou sterven zou de reden voor Jean en mij om te leven niet meer bestaan. Op de dagen dat ik hier met Dina samen ben geweest – en dat zijn er heel wat –, heb ik haar een paar trucs geleerd om Jeans kracht te weerstaan. Eén daarvan is niet te veel opvallen, zodat hij zich niet al te veel moeite getroost haar in het gareel te houden.

Sinds ik vertrokken ben heeft Dina hem haar liefde ontzegd, en hij is de zijne vergeten. Hij is gelukkig geweest met een andere vrouw die lang geleden is overleden. Zijn haat jegens mij is nog altijd zo groot dat hij Dina nog steeds niet laat gaan. Zijn mentale krachten zijn ondertussen sterk genoeg om te kunnen doden, en zelfs ik kan haar daar niet tegen beschermen. Ik kan mezelf nauwelijks beschermen.”

“En toen kwam jij ten tonele Eric.” Zorc was verbaasd zijn oude naam te horen. “Natuurlijk denk jij niet meer aan jezelf als Eric. De enige die zich ontwikkeld heeft door de jaren heen is Zorc. Elke nieuwe Zorc is een klein beetje anders dan de vorige; een klein beetje sterker. Alle anderen zijn nog steeds kopieën van wat ze aanvankelijk waren. Daarom zeggen we steeds dat we grote hoop op jou hebben gevestigd. We zullen alle drie jouw ontwikkeling met stijgende interesse volgen. Voorlopig hoef je alleen maar te onthouden dat wanneer jouw tijd komt om Jeans kamer binnen te gaan, je de keuze hebt tussen sterven en vrijheid. Als je voor vrijheid kiest en je krijgt het voor elkaar die te bemachtigen, zal Jeans brein voor het eerst volledig worden weerstaan en dat zal hem doden. Hij krijgt zijn levenskracht uit jullie, weet je dat wel? Hij wordt alleen maar ouder als er minder dan vijf slaven zijn.”

En dat was alles wat hij zei. Hij onderhield zich nog een tijdje met Dina, maar achter een schild dat dun genoeg was voor Zorc om te merken wat hij deed, maar dik genoeg om niet meteen te kunnen lezen wat er gezegd werd. En hij had het fatsoen, niet af te luisteren.

Toen de zon onderging kwam er uit het niets een warm vuur. Alleen tijdens het avondeten was er een klein gesprek tussen hen drieën maar er werd niets belangrijks meer gezegd. Na een tijdje rolde Zorc zich op en ging slapen.

De volgende morgen was Guillaume weg. Dina, wier gezicht had gestraald van geluk de vorige avond, was weer haar sombere zelf geworden. Toen Zorc de boodschappentas oppakte bleek die tot zijn verrassing gevuld met alles wat ze nodig hadden.

Master was blij met de nieuwe voorraden. Zorc was bang dat Master iets zou weten van de ontmoeting die ze de vorige avond hadden gehad, maar hij vroeg niets.

JAREN LEREN

Terwijl het leven in het huis zijn normale gangetje hervatte, vervaagde het verhaal dat Guillaume verteld had als iets dat Zorc in een ver en vaag verleden had gehoord. De volgende maand kwam en ging zonder enige opschudding en Zorc begeleidde Dina naar de markt. Deze keer kwam Guillaume niet langs. Ze sliepen die nacht wel weer op dezelfde open plek – tenminste zo leek het, het zag er in ieder geval hetzelfde uit. Deze keer speelde Dina niet met haar illusies. Ze hielp Zorc met zijn studie. Zo kreeg hij nooit een rustdag maar hij luisterde goed omdat hij de hoop diep in haar kon zien. Maand na maand leerde ze hem ‘dingen die Master je nooit zou vertellen.’

De twaalfde keer dat Zorc mee ging winkelen met Dina kwam Guillaume weer langs. Weer verscheen hij op dezelfde manier; door één van Dina’s illusionaire kinderen te vermoorden. Hij zei weinig belangrijks. Hij kwam alleen maar even kijken hoe de leerling vorderde. En natuurlijk om samen te zijn met de vrouw die hij liefhad. Zorc wist dat nu en ging vroeg slapen, zodat ze wat meer tijd voor elkaar hadden. Het laatste wat hij hoorde voordat hij in het zwarte gat in de tijd viel, was Guillaume die zei: “Onthoud dat je hart altijd van jezelf is…”

De weken erna waren opnieuw vreemde weken, maar Zorc had ze al een keer meegemaakt, dus wachtten hem geen verrassingen meer. Deze keer verdween Frederic. Zorc wist nu dat hij Masters kamer binnen was gegaan maar net zoals niemand het aan hem had verteld, vertelde hij het niet aan Ulrich. Weer kwam er halverwege de dag die bloedstollende mentale gil, en daarna was het allemaal voorbij. Alle spanning was uit de lucht, en de dingen gingen weer zoals altijd.

Behalve dan dat het werk weer met drie man gedaan moest worden. De rollen waren veranderd, maar niet onvoorspelbaar. Zorc herkende veel van zichzelf in de onhandigheid van de jonge Ulrich. Als hij Ulrich zag realiseerde hij zich dat hij veel ouder was geworden. Hij herinnerde zich dat hij in het begin alle gevoel voor tijd kwijt was geraakt. Nu wist hij dat het een jaar was, de gang naar de markt had hem daarbij geholpen. Maar zijn lichaam was ouder geworden dan normaal gesproken zou zijn gebeurd in een jaar.

Terwijl hij dit bedacht keek hij naar Adam. Hij wist nu dat die maar twee jaar ouder was dan hijzelf, maar die zag er al uit als een volwassen man. Om de één of andere reden maakte hij zich hier niet druk om. Als het leven doorging volgens dit schema, zou hij over drie jaar in Masters kamer stappen, dus veel tijd had hij toch niet meer. Dat was waar hij zich het meeste zorgen om maakte. Wat bracht die oudere idioten ertoe Masters kamer binnen te gaan? Master zou ze er toch zeker niet toe dwingen, of toch? Hij zou toch niet al die moeite in hun opleiding stoppen om ze na slechts vijf jaar te vermoorden! Maar ze dachten toch niet dat ze hem konden weerstaan? Zorc droomde daar niet eens van. Hij had net zijn tweede boek uit. Nog drie te gaan. En dan? Hadden ze allemaal Guillaumes verhaal gehoord en gingen ze het allemaal proberen…?

Maar ze wisten toch dat het nutteloos was? Als je keer op keer iemand ziet verdwijnen en voelt sterven, waarom bedenk je jezelf dan niet voordat je daar naar binnen gaat? Hij vond dat nogal stom, maar hij had ook pas zijn tweede boek uit.

De tijd verstreek. Een nieuwe Frederic werd gevonden en Master had weer zijn gelukkige week met zijn geliefde geest. Het leven ging door en iedereen ging een stapje omhoog in de hiërarchie. Zorc kwam er nooit achter wanneer Ulrich – die Dina nú begeleidde – voor het eerst Guillaume ontmoette. Misschien ontmoette hij hem wel nooit. Misschien wist hij nog steeds niet waar het om draaide in dit huis en waarom Master zo panisch was voor de dood. Voor zo’n oude man, met zo weinig verrassingen, moet het leven wel erg saai en nutteloos lijken. Maar een ooit gezworen eed moet je houden.

Twee jaar verstreken zonder veel verrassingen voor Zorc. In de weken dat ze vrij hadden speelde Dina met haar illusies, maar ze had het nooit meer over Guillaume. Ze kon haar leed goed verbergen. Ook Adam verdween in Masters kamer, en ook hij liet geen spoor na dan die bloedstollende schreeuw. Zorc begon nu aan zijn vijfde boek, en hij kon dingen die geen van zijn voorgangers ooit had gekund in zijn stadium. Dat was tenminste wat Master hem vertelde. Misschien was hij gewoon een hardwerkende student een steuntje in de rug aan het geven. Hij had veel geoefend, zelfs tijdens het routinewerk op het veld. Hij had er schik in. Hij droomde nu van een mentale kracht die vergelijkbaar was met die van Master. En toen kwam de dag dat Matthias verdween in een schreeuw. Een nieuwe Matthias moest gezocht worden. Master legde Zorc uit wat voor een brein hij zocht voor een nieuwe Matthias, en dat was het.

“Vind me er eentje voor het eind van de week.”

Zorc verliet het huis, trok een paar honderd meter het bos in en zette daar zijn tent op. Hij wist dat hij daar in alle rust kon werken. Zijn mentaal bereik was sterk toegenomen. Hij hoefde niet meer zo ver weg om mensen te kunnen waarnemen zelfs ver voorbij de dichtstbijzijnde stad; en die was al niet echt dichtbij! Hoewel mensen behoorlijk lawaaiig zijn aan de buitenkant, en ook een lawaaiig brein hebben, zijn ze niet eenvoudig te plaatsen. Dieren wel. Zorc kon dat, op korte afstand, al aan het eind van zijn eerste jaar. Want het enige waar ze mee bezig zijn is, waar ze op dat moment zijn. Wat ze zien en wat ze er mee kunnen doen. Mensen hebben dat ook – bij alles wat ze zien is het eerste wat ze denken ‘wat kan ik er mee doen?’ Maar ze doen veel meer. Ze denken niet alleen aan hier en nu, maar ook vaak aan daar en toen. En dat is wat het moeilijk maakt ze op de kaart te plaatsen. Als je eenmaal een brein hebt gelokaliseerd, is het moeilijk om te ontdekken of het aan nu of aan daar denkt.

Zorc ging aan het werk. Het was het moeilijkste werk dat hij tot nog toe gedaan had. Ook het meest beladen werk. Zwaar beladen met de verantwoording voor het welzijn van Masters hele huishouden. Master had hem verteld dat hij het liefste een dorpsjongetje had. Waarom, zei hij niet. Zorcs bewustzijn zweefde van dorpje naar dorpje. Hij zocht overal, terwijl hij extra aandacht besteedde aan de dorpsherbergen omdat hij wist dat ze allemaal opgegroeid waren in een herberg. Vreemd genoeg was dit een oefening waar hij gauw aan wende. Tegen het eind van de dag was hij zich zó bewust van de richting die hij zocht, dat hij het moeilijk vond die los te laten. Hij had niets gevonden dat ook maar in de buurt kwam van wat Master eiste, maar hij had een week en dus geen haast. Hij lag een eind voor op schema. Na zonsondergang staakte hij zijn werk, hij at iets van het eten dat hij had meegenomen en ging slapen.

‘s Nachts terwijl iedereen slaapt is het niet mogelijk iemand te vinden. Niemand denkt ‘s nachts aan hier en nu, en hoewel Zorc een idee had, wilde hij steeds weer bevestiging van de mensen die hij bekeek.

Met zonsopgang at en dronk hij vlug iets en gauw probeerde hij de mensen te vinden die hij gisteren had verlaten. Dat bleek moeilijker dan hij dacht. Hij wist hoe het dorp eruit zag, hij wist zelfs de naam van het dorp. Hij wist echter niet meer precies hoe ver weg het was en in welke richting. Hij had wel een vermoeden wat betreft de richting, dus begon hij te zoeken aan de rand van het bos, steeds verder het veld in. Langzaam ging hij van dorp naar dorp. Na verloop van tijd wist hij vrij zeker dat hij niet in dezelfde richting aan het zoeken was als gisteren en hij vervloekte zichzelf dat hij zijn eigen schema om zeep had geholpen.

Op het moment dat hij terug wilde trekken en een andere richting wilde gaan proberen kwam hij iets tegen. In een fractie van een seconde besloot hij toch nog niet terug te trekken maar even verder te kijken naar het brein van dit joch. Het leek op wat Master had gezegd dat hij moest vinden. Was dit de vangst? Het leek erop… Maar wat moest hij dan met de rest van de week?

Controleren en nog een keer bekijken. Maar na een klein uur wist hij dat hij zijn slachtoffer gevonden had. Nu precies weten waar de jongen zich bevond. Dat was moeilijker. De jongen lag ziek in bed. Niet iets dat Zorc niet kon herstellen, maar niet op deze afstand. Daar. Hij deed zijn ogen even open om een vrouw binnen te zien komen, waarschijnlijk zijn moeder. Zorc volgde zijn bewustzijn naar de vrouw, terwijl hij alle informatie die hij kreeg opsloeg voor zijn verslag aan Master.

Nadat ze zich ervan had verzekerd dat de jongen langzaam beter werd, ging ze naar beneden. Allemaal klanten, op zoek naar drank en eten. Ze was de waardin, hoe kon het ook anders. Maar het zou nog wel even duren, voor ze zelf naar buiten zou gaan. Zorc wachtte geduldig. Plotseling keek de vrouw naar de deur. Er kwam iemand binnen en bestelde een whisky. Weer wachten.

Toen Zorc zijn geduld begon te verliezen zei de vrouw: “Tot ziens John,” maar ze keek niet op. Iemand vertrok, maar Zorc had hem niet gezien. Voorzichtig voelde hij in de omgeving, en ving een bewegende ziel. Hij haakte aan. De man ging naar buiten, en pas toen herkende hij het dorp. Het was het dorp waar hij zoveel gelukkige kinderjaren had doorgebracht. Het was het dorp waar hij was opgegroeid.

Deze ontdekking schokte hem tot diep in zijn ziel. Waarom had hij het niet eerder ontdekt? Hij zag iemand langslopen en volgde de man terug naar binnen. Pas nu kon hij zien dat er nauwelijks iets was veranderd in de herberg. Of toch wel? Het leek iets kleiner dan hij zich herinnerde, de gouden deurknop was duidelijk nep goud – als kind had hij er nooit aan getwijfeld dat die echt was. Maar voor de rest? Zijn moeder was niet ouder geworden, ze droeg dezelfde groene jurk die ze voorheen ook aan had gehad. Waarom was die niet versleten? Ze leek nog steeds nieuw!

Zorc werd wakker. Tenminste, zo voelde het. Dit hoorde niet bij zijn opdracht; terugreizen in de tijd, en herinneringen ophalen van voordat hij bij Masters familie kwam. Nieuwe vragen rezen in zijn hoofd. Gebeurde dit iedere keer? Zorc had geen jonger broertje gehad. En als het steeds weer gebeurde, dan wist Master al waar hij heen moest, dus waarom moest Zorc nog zoeken? Zorc onderdrukte meer vragen, en ging terug naar Masters huis. Trots dat hij dit werkje zo snel had verricht, maar onzeker over de nabije toekomst. Toen hij bij het huis kwam was de koets al gereed. Het zwarte paard stond ervoor, en Master ernaast. Zorcs ervaren geestesoog herkende in het paard een illusie. Dat betekende dat Master zijn telekinetische krachten zou aanwenden om het te verplaatsen. Eén van de zeldzame keren dat hij dat deed, en iets dat Zorc nog moest perfectioneren. Terwijl Zorc dichterbij kwam fluisterde Master: “Zo snel, al mijn hoop is op jou gevestigd Zorc…” en daarmee hielp hij Zorc in de koets en steeg op.

Natuurlijk wist Master waar hij heen moest. Hij was er eerder geweest. Master stuurde de koets hoog in de lucht en toen naar het oosten van het dorp. Eenmaal in de goede richting ging de koets iets langzamer. Master begon te praten.

“Zie je, Zorc, Dina was niet het eerste meisje waar mijn broer en ik verliefd op werden. Verberg het niet, ik weet dat je het verhaal kent; ik laat dat steeds weer gebeuren zodat ik het zelf niet hoef te vertellen. Een paar jaar eerder hadden we ons hart verloren aan een zigeunermeisje. Ja, ik weet dat het te stom lijkt voor woorden, en zeker in de conservatieve tijd waarin we geboren werden. Ik zei dat ‘we’ verliefd waren geworden, maar dat is niet helemaal waar. Ik was tot ver over mijn oren verliefd op haar. Guillaume voelde zich in fysieke zin tot haar aangetrokken maar dat gebeurde wel vaker. Hij zei dat dat alles was. Dus was ze van mij, dacht ik. Onze overtuigingskrachten waren al in het beginstadium dus het was niet zo belangrijk wat zíj wilde, dat konden we manipuleren. Het ging goed totdat ik Guillaume op heterdaad betrapte bij haar in bed. Sinds die dag heb ik hen beiden gehaat. De vrouw is nu dood, en ik hoop in de hel. Mijn broer… Jij weet beter hoe hij het maakt dan ik want jij hebt hem het laatst gezien.

We zijn voor Dina gevallen omdat ze een natuurtalent is. Toen we haar ontmoetten kon ze al onderscheid maken tussen wat ze zelf wilde en wat wij haar lieten ‘willen’. Onze krachten waren sterker dan haar weerstand, maar we konden hiermee haar liefde niet sturen. Omdat ze het verschil zou weten tussen wat echt was en wat we… Ik praat er omheen. De hoop die ik op jou gevestigd heb is dat ik tegen de tijd dat Ulrich een nieuwe Zorc moet gaan vinden, jij sterker bent dan Guillaume. Als we eenmaal van hem af zijn – en de gezworen eed gewonnen is – houden we het huis samen draaiende. Ik beloof je, het wordt makkelijker zonder hem. Als hij eenmaal weg is zullen de kinderen niet meer mijn kamer binnen gaan en kunnen we de 26 kinderen hebben – een voor elke letter van het alfabet. En wanneer ik het tijd vind zal ik weggaan naar mijn geliefde. Natuurlijk kan het huis niet ophouden te bestaan! Jij wil niet verantwoordelijk zijn voor 26 doden, of wel?”

Stilte. Nee, dat zou Zorc niet willen. Hij had moeite het verhaal in het plaatje te passen wat hij tot nu toe al had. Samen met de ontdekking die hij net had gedaan over zijn eigen dorp was het een beetje te veel. Hij moest het vragen: “Waarom is mijn dorp in al die jaren niets veranderd?”

“Ah, Zorc, dat is een geintje dat ik met de tijd heb uitgehaald. Twee dingen heb je daar voor nodig; je moet zowel de waarst mogelijke liefde kennen als de diepst mogelijke haat. Meer hoef je niet te weten. Tot Guillaume weg is en ik je klaar stoom om het huis over te nemen.”

OVERNEMEN

Terwijl Zorc overstapte op het laatste boek, werd hij het steeds minder eens met de gang van zaken in het huis. Het eerste wat hem stak was het feit dat zijn ouders keer op keer opnieuw de pijn van het verliezen van een kind moesten doorstaan. Tenminste, zo zag Zorc het. Master zei dat het geintje dat hij met de tijd had uitgehaald pas werkte op het moment dat de nieuweling het huis binnenging. En hij vond het niet eenvoudig om met het idee te moeten leven dat nog eens een en twintig keer te doen. Hij voelde zich al heel erg vies vanwege die ene keer. Hoe kon hij nog met zichzelf leven na een en twintig keer? Hoe leefde Master daarmee?

“Het zijn mijn ouders niet; je zult er wel aan wennen…” was Masters reactie. Master keek met een tevreden glimlach naar de groeiende weerstand in Zorc tegen het leven dat hij leidde, en waarschijnlijk in de toekomst zou moeten leiden. Voor Master was het belangrijk dat Zorc enige vorm van haat ontwikkelde voordat hij het huis zou kunnen overnemen. Het voelde niet goed. Zorc had nog geen liefde gekend, maar hij voelde hoe haat hem aan het uithollen was, hoe het zijn plezier in het leven wegnam. Toen hij zich dit realiseerde besloot hij het niet te doen: ‘Ik ben de beste leerling die Master ooit heeft gehad – tenminste, dat blijft hij maar zeggen. Ik hoef niet meer iedere grol van hem uit te voeren! Ik heb een keuze!’ Vooral de laatste zin was zo doordringend dat hij hem bijna hardop zei. Hij wilde echter niet dat Master het wist, nog niet. Dus begroef hij zijn werkelijke gevoelens achter een schild waar zelfs Master niet doorheen kon komen en legde er een dikke laag van de zogenaamd groeiende haat tegenaan. Tijdens de volgende les leek Master niet het minste te vermoeden.

En Zorc studeerde nog harder. Hij wist dat hij alles wat hij mogelijkerwijs kon leren ook nodig zou hebben als hij Masters wil zou proberen te weerstaan. Op een dag, het was laat in het jaar, hielp hij de kleine Matthias met de jacht. Zorc had zichzelf in het geheim een nieuw trucje geleerd, en wilde nu eindelijk eens weten of hij het echt kon. Hoewel Master nooit iets tegen het uitproberen van nieuwe trucjes had gehad, had Zorc zeer stellig het gevoel dat hij hier wel bezwaar tegen zou hebben. Dus had hij niet om toestemming gevraagd. De huisregel respecterend dat je niets mocht zien van een hoger niveau tenzij het absoluut onvermijdelijk was stuurde hij Matthias achter een konijntje aan.

Hij richtte zijn aandacht zelf de andere kant op; naar een ander konijn. Hij voelde het konijn, maar kon het niet zien. Hij verzamelde al zijn kracht en stuurde een enorme dosis energie in het brein van het konijn. Tenminste dat dacht hij. Een paar takjes kraakten en hij zag het konijn wegspringen. Hij lachte zichzelf uit en dacht: ‘En jij dacht dat je sterk was…”

Hij gaf het echter niet op. Oefening baart kunst. Hij focuste weer op het konijn dat nog altijd wegrende en beval het te stoppen. Dat deed het. Deze keer veranderde hij een paar basiselementen van de energieslag. Toen verzamelde hij weer al zijn kracht en stuurde het naar het konijn. En daar was het. Zijn eerste vangst zonder wapen. Dit soort geweld kon niet onopgemerkt blijven voor de mentaal gevoeligen in de omgeving. Dat bleek waar. Voordat hij het konijn daadwerkelijk had opgeraapt raasde de donder van Masters woede al door zijn hoofd, hem bevelend terug naar huis te komen. Zorc wist wat hem daar te wachten stond, en hij ging liever niet. Hij besloot de uitdaging aan te gaan.

De overtuigende kracht was zo sterk dat elk normaal mens geen keuze zou hebben gehad. Zorc had die wel en hij herinnerde zich Guillaumes woorden: “Je hart is altijd van jezelf.” Hij wist wat dat betekende. Als je er niet zeker van bent of je brein voor de gek wordt gehouden, leg dan je bewustzijn in je hart en je zult jezelf ontdekken. En dat deed Zorc. Maar hij stond niet tegenover een eenvoudige tegenstander – Zorcs brein werd een slagveld dat hij moest heroveren. Anders zou hij zich zijn leven lang moeten verstoppen in zijn hart. Voorzichtig keek Zorc over de rand van zijn hart naar zijn brein, waar Master nog steeds met al zijn kracht probeerde Zorc ertoe te bewegen te doen wat Zorc niet wilde. Zorc zette zijn voeten stevig in zijn hart, verzamelde al zijn moed en ging kaarsrecht staan terwijl hij dreun na dreun uitdeelde aan Masters bewustzijn in zijn brein. Master werd stil, maar trok zich niet terug. Zo probeerde hij Zorc voor de gek te houden en hem te verleiden uit zijn hart te stappen, waarna hij hem onderuit zou kunnen halen. Zorc wist dat en bleef staan waar hij stond.

In plaats daarvan nam hij de bediening over zijn lichaam weer over en wandelde weer het bos in terwijl hij eraan dacht het konijn mee te nemen. Master kon hierdoor niet anders dan opnieuw aan het razen slaan en daarmee verloor hij. Zorc had dat verwacht. Toen de eerste golf kwam wist hij die handig te neutraliseren. Tegelijkertijd deelde hij een dreun uit die sterker was dan die hij aan het konijn in zijn hand had gegeven – Zorc leerde snel –, en het werkte. Master trok zich terug.

Zorc kon het niet helpen dat hij glom van trots toen hij zijn vangst bij die van Matthias voegde. Matthias had uiteraard niets gemerkt van wat er tussen Zorc en Master was voorgevallen, en keek enigszins verbaasd naar zijn oudere broer. Hij durfde echter niets te vragen. Zorc was daar wel blij om; hij had geen idee wat hij zou moeten antwoorden. Bij het avondeten zag Master er verrassend bleek uit. Het viel zelfs Matthias op, maar weer durfde hij het niet te vragen.

Tegen de tijd dat ze naar bed moesten en ze allemaal naar boven gingen – Zorc als oudste ging als laatste in de rij – voelde Zorc de neiging Masters kamer binnen te lopen. Maar hij zag het voor wat het was: Masters overtuigingskrachten. Zorc weerstond. Hij verwachtte wederom een gevecht maar nu sprak Master kalmpjes:

“Oké, ga! Ga naar boven! Doe wat je goed dunkt! Maar weet dat wat je vandaag hebt ervaren maar een klein deel was van wat ik allemaal kan!”

Zorc wist dat Master blufte; Master had er niet voor niets zo bleekjes uitgezien. Master kende nog een paar technieken waar Zorc nog niet mee te maken had gehad maar zo heel gevaarlijk waren ze niet. Telekinese was nog de gevaarlijkste, maar Zorc kon dat ook.

Er ging weer een maand voorbij. De dertiende dat jaar zonder enige vorm van strijd. Zowel Master als Zorc testten elkaars geduld. Zorc zou wel steeds beter leren haten en dat werkte in Masters voordeel. Master was erg geduldig geworden in de loop der jaren. Ondertussen beseften zowel Ulrich als Frederic dat er iets gaande was. Ulrich wachtte op zijn beurt om een nieuwe Zorc te vinden. Hij was trots Master te dienen. Ulrich was de eerste die zijn geduld verloor. Hij dacht dat hij Master er een plezier mee zou doen, maar hij werd een onverwachte steun voor Zorc. Ulrich viel Zorc aan:

“Dit jaar is het mijn beurt om een nieuwe Zorc te vinden. Waarom ga je Masters kamer niet binnen zodat ik kan bewijzen wat ik waard ben?”

Zorc glimlachte en antwoordde: “Wil je graag dood Ulrich? Ik niet. Wees blij dat ik nog niet naar binnen ben gegaan want elke dag dat ik dat later doe, leef je een dag langer. Ik weet dat jij het niet zult overleven Masters krachten te weerstaan.”

“Jij ook niet,” beet Ulrich terug. Toen brak Zorc de huisregel: “Dat heb ik al gedaan.” Ulrich had er niet eens van gedroomd dat dat mogelijk was. Dat was een niveau hoger dan waar hij was en het had vermeden kunnen worden. Master werd boos. Van buiten liet hij niets merken, maar hij gaf Zorc onverwacht zo’n zware mentale dreun dat Zorc even nodig had zich te herstellen. Tegen Ulrich zei Master. “Jij zult je kans krijgen om te laten zien wat je kunt. Morgen begin je met het vinden van een nieuwe jongen. Ik denk dat het tijd is mijn familie uit te breiden.”

“Nee,” zei Zorc die zich ondertussen had hersteld. In het afgeschermde deel van zijn brein dacht hij ‘ik mag dat niet laten gebeuren! Niet nog meer vermiste kinderen!’

“Wat, nee?” vroeg Master. Ulrich begreep er duidelijk niks van, maar hij zei niets. Zorc zei ook niets en langzaam kwam de les weer op gang. De spanning bleef echter tussen hen in hangen. Zorc trok zich terug en bereidde zich voor op wat nu onvermijdelijk was geworden.

Die avond voelde Zorc een onnatuurlijke weerstand tegen de gang naar Masters kamer die hij gauw zou moeten maken. Was Master bang voor hem, of probeerde hij Zorcs energie al af te tappen voordat de eigenlijke slag geleverd zou worden? Hoe dan ook, Zorc negeerde de neiging de anderen naar boven te volgen en ging Masters kamer in. Wat hij daar vond verraste hem. Het was een oude, vochtige kamer. Geen ramen, of wat ooit ramen waren, waren nu boekenkasten die ze helemaal afsloten. In de vier hoeken van de kamer stonden kaarsen die voor de schaarse verlichting zorgden. De muren waren verborgen door goed gebruikte boeken en naast het bed – opgemaakt met oude en vieze lakens – lag een boek met een schedel er op. Zorc kon een deel van de titel zien: ‘… spelen met tijd’.

Tegen de muur achter het bed stonden geen boeken. Er stonden daar een paar jachttrofeeën en er hingen veel geweren en messen. Zorc bedacht dat dat de plaats was waar het telekinetische gevaar vandaan zou komen. “Dus je bent eindelijk gekomen,” kraakte Masters stem. Hij zat op het bed naast de schedel. Meteen daarna stond hij op en droeg Zorc op te wachten, zonder te zeggen voor hoelang en wat hij ging doen. Toen hij bij de deur kwam zei Zorc: “Nee, jíj wacht,” en daarmee drong hij met al zijn overtuigende vermogen Masters brein binnen. Master wist waar hij zich moest verbergen. Maar vanwege zijn eeuwigdurende haat tegen zijn broer had hij niet veel hart meer over. De deur bleef dicht en Master draaide zich om, terwijl hij vocht voor controle over zijn brein.

Slag na slag drukte hij Zorc langzaam achteruit, maar Zorc concentreerde zich al op iets nieuws. Hij componeerde een vergelijkbare dreun als hij aan het konijn had gegeven, nu ongeveer een maand geleden. Hij had de gelegenheid gehad nog een beetje te oefenen, dus zou de dreun nog sterker zijn. Net voordat Master hem het laatste duwtje moest geven om Zorc helemaal uit zijn brein te krijgen was Zorc klaar de dreun uit te delen.

Master leek zelfs fysiek geraakt. Hij was niet dood maar hij ging ter plekke zitten; hij moest wel. Master was een goed acteur. Tegen de tijd dat hij al helemaal hersteld was, leek hij er nog belabberd uit te zien. Zorc stond op scherp. Hij voelde een beweging achter zich en sprong opzij, net op tijd om een mes op de grond te zien vallen daar waar hij net had gestaan. Master stond onmiddellijk op en nam de controle over Zorcs brein. Maar daar was Zorc op voorbereid, hij had zijn voeten al lang geleden stevig in zijn hart geplaatst. Master deelde in Zorcs brein een regen van klappen uit met een snelheid die Zorc nooit voor mogelijk had gehouden. Zorc verloor terrein. Net voordat hij zijn gehele brein moest opgeven voelde hij de aanwezigheid van een mens in de woonkamer. Een vreemdeling… Geen van de jongens, noch Dina. Zorc nam niet de tijd om zich daarover te verbazen. Master deed dat ook niet, maar hij liet Zorc voor een fractie van een seconde los om die vreemdeling een dreun te verkopen.

Die fractie van een seconde was alles wat Zorc nodig had. Een mes kwam van de muur en vloog met een geweldige snelheid in de richting van Masters hart. Master stopte het net voordat het doel trof, en begon terug te duwen. Zorcs telekinetische kracht, pas onlangs ontwikkeld, was bij lange na niet zo sterk als die van Master, waardoor hij snel een andere oplossing moest vinden. Hij veranderde de richting van de kracht, waardoor ook Master de controle over de richting verloor, en het mes vloog – per ongeluk – recht in het oog van de schedel naast het bed. Die was niet zwaar genoeg om deze kinetische kracht te stoppen, en viel van het boek op de grond.

Dit leek Master werkelijk pijn te doen en hij had een paar seconden voor zichzelf nodig. Snel componeerde Zorc een tweede dodelijke dreun en sloeg toe. Hierdoor kwam Master met zijn rug tegen de muur te zitten. Bijna heel zijn verdediging was nu gebroken, maar Zorc gaf hem geen tijd te herstellen. Hij bleef maar slagen uitdelen – minder zware maar met hoge snelheid. Hierdoor bleef Master waar hij was, maar het zou hem niet doden. En Zorc zou hier snel moe van worden. Ineens, vanaf de andere kant van de deur, kwam er een dreun gericht op Masters brein en wel zo sterk dat die in Zorcs brein weerklonk. In een laatste stuip gooide Master zijn hoofd tegen de muur en mompelde: “Isabelle, ik kom…”

TERUG IN DE TIJD

Gebroken van vermoeidheid viel Zorc op het bed. Hij hijgde. Nadat Masters ziel was vertrokken, werd zijn lichaam zo oud als het zou moeten zijn volgens de natuurwetten. Er bleef niets over behalve een beetje stof. Met zijn dood verdween ook zijn grip op de tijd. De wereld om hen heen zou niet meer keer op keer hetzelfde jaar doormaken. Langzaam ging de deur open en Guillaume kwam binnen. Hij zag er hetzelfde uit als jaren geleden in het bos, maar nu was het geen illusie. Wat was er met hem gebeurd? Eric was te moe om dat uit te zoeken, dus vroeg hij het.

“Toen Jean zijn vijfde zoon voor het eerst kreeg kon hij de tijd stoppen. Alleen voor hem en zijn zonen, en vanwege een vloek ook voor mij en Dina, liep de tijd door. Vooral voor zijn zonen ging de tijd sneller dan normaal. De energie die hij nodig had om de tijd te stoppen haalde hij uit zijn zonen. Hoe vaardiger zijn zonen, hoe meer energie hij uit ze kon halen. Daarom bleef hij ze keer op keer weer opleiden. Kijk maar eens naar jezelf; naar hoe je gegroeid bent in de afgelopen zes jaar!

Nu hij dood is, is zijn grip op de tijd verdwenen en is eindelijk het leven terug bij het oude. De wereld draait weer door, en Dina en ik hebben onze leeftijd teruggekregen van toen hij zijn vijfde zoon voor het eerst kreeg. Behalve voor jou, Eric. Jouw lichaam is niet jonger geworden want de energie is uit jou gehaald… Sorry.”

Eric vond het niet zo erg. Hij vroeg zich alleen maar af hoe zijn ouders het zouden vinden om plotseling vijf kinderen te hebben. Maar toen hij zijn bewustzijn door het huis liet dwalen ontdekte hij dat Dina en Guillaume – die ondertussen boven samen iets waren gaan doen waar Zorc niet bij was uitgenodigd – en hijzelf de enige levende wezens in het huis waren. De anderen leken nooit bestaan te hebben.

Eric ging naar buiten. Hij ontdekte dat na het gevecht zijn krachten een stuk waren toegenomen. Alsof Masters kracht in hem was gekropen. En zo ging hij terug naar zijn dorp. Met zijn krachten duurde reizen niet zo lang meer. Hij realiseerde zich dat niemand hem zou herkennen, en dat niemand zijn verhaal ooit zou geloven. Dus vermomde hij zich als een arme reiziger en liep het laatste stuk naar het dorp. Hij trof er een neerslachtige sfeer aan. Iedereen leek verdrietig. Hij ging rechtstreeks naar de herberg waar hij zijn ouders vond, verdrietiger dan hij ze ooit had gezien. Zijn moeder met een door tranen besmeurd gezicht, bleker dan het marmer op de vloer. Zijn vader asgrauw en ongeschoren.

“We zijn gesloten!” kraakte zijn vader. Eric kon niet bewegen. Wat was er gebeurd? Hij durfde het niet te vragen, dus spiekte hij in hun brein. Het was hun zoon. Hun enige zoon, hun enige kind was overleden. En pas toen zag hij dat een deel van de herberg ontruimd was, en plaats had gemaakt voor bloemstukken. Daar tussen stond een kist. Zijn hart brak. Zijn ouders zo kapot te zien! Hij wilde naar ze toe rennen; ze omarmen. Hij wilde zeggen: ‘Moeder, ik ben hier! Ik ben het, Eric.’ Maar hij kon het niet, ze zouden het niet geloven. Hij was te veel veranderd, en er was nog altijd het lichaam van het overleden kind. Alles wat hij kon doen was ze een beetje troosten. Maar ze zouden nooit meer zichzelf worden. Het verliezen van een kind is onoverkomelijk.

“Heeft u me niet verstaan? We zijn gesloten!” zei zijn vader, die nu recht voor hem stond.

“Oh….” Stotterde Eric, “Oh… eh… Het spijt me.” Hij draaide zich om en verliet de herberg. Buiten ging hij tegen de muur zitten en reikte met zijn bewustzijn naar binnen, troostend. Toen hij voelde dat hij niets meer kon doen, stond hij op en ging weg. Om nooit meer terug te keren. Hij wilde niet worden herinnerd, hoewel hij wist dat hij nooit zou vergeten.

MyOpera

Twitter

Facebook