Thuis boeken schrijven
 

Memoires van een vlieg

Het is een heerlijke windstille zonnige middag. Op zo'n dag, is er niets zo lekker als op een zorgvuldig uitgekozen plaats te zitten mijmeren. Een plekje hoog genoeg om uit het zicht te blijven, maar laag genoeg om de grond te kunnen zien, en vanzelfsprekend in de zon. De zon houdt me warm; zijn doordringende stralen houden mijn spieren soepel. Mijn uitzicht is niet zo indrukwekkend. De zon is al lang opgekomen, en voorbij de volgende boom ziek ik toch niets scherp. Het meest interessante is een paar mensen, dat aan het picknicken is. De mensen noemen dit 'Het Park', geloof ik, maar wij noemen het insectopia. Elk weekeind weer, worden er ladingen kruimels achter gelaten. Meestal is het hier genieten; we kunnen ons ongebreideld volvreten aan allerlei verschillende smaken kruimels. Alleen als er mensen zijn is het gevaarlijk, al zijn zij een noodzakelijk kwaad. Zonder hen is er geen aanvoer van nieuwe kruimels. Zonder hen zou insectopia geen luilekkerland meer zijn. We zouden dan met zijn allen moeten gaan werken voor de kost; iets wat aan mij niet besteed is.

Ik zit hier maar alleen, het resultaat van een leven lang niet meelopen met de rest. Al mijn familieleden en zogenaamde vrienden – echte vrienden heb ik niet meer – zijn op jacht naar eten. Ik niet, ik wacht wel tot het veilig is. Al toen ik jong was zat ik veel alleen. Ik was nogal klein van stuk, en mijn ogen stonden anders dan die van de anderen. Toen werd ik buiten gesloten; nu hoor ik er gewoon niet meer bij. De meesten kijken me niet meer aan. Je wil toch geen buitenstaander zijn? Soort zoekt soort, zeggen ze. Alleen mijn achterneefje komt af en toe nog, tegen beter weten in, even bij me zitten. Elke keer nadat hij bij me heeft gezeten, zijn er minder soortgenoten die met hem om willen gaan.

"Hoe komt het dat u zo oud bent?" vraagt hij steeds weer.

Ik trek mijn vleugels recht, zet mijn snuit even aan de kruimel die hij mee heeft gebracht, en antwoord: "Oplettendheid, jongen. Oplettendheid." In de korte tijd die hij nog blijft zitten, probeer ik hem nog wat wijsheid aan te reiken. Ik probeer hem iets te vertellen over de vogels en de mensen, maar hij kan zijn aandacht er maar even bijhouden. De picknick is veel interessanter.

Ook hij zegt, achter mijn rug om, dat ik te lui ben om mijn eigen eten te halen. Maar hij heeft het mis. Ze hebben het allemaal mis. Ik ben een onbegrepen oude buitenstaander. Ik vind het nu wel goed zo, maar ik weet nog goed, hoe het was om aan de eenzaamheid te moeten wennen. Er is een grote druk om mee te lopen, bij de groep te horen. Om te leven zoals we leven omdat we nou eenmaal zo leven. Geen vragen stellen, en er zeker niet over nadenken. Want anders blijf je alleen achter. Eenzaamheid is moeilijk te verdragen; als je er geen invulling aan weet te geven is het níet te verdragen. Het kan tot wanhoop leiden, of tot ondoordacht meelopen.

Ik gaf invulling aan mijn eenzaamheid door na te denken. Nadenken over wat we doen, waarom we het doen, en hoe we het doen. Neergestreken op een zorgvuldig gekozen blad, met de zon warm op mijn vleugels, leerde ik veel over het meeloop gedrag van mijn soortgenoten; en over de meedogenloosheid der mensen jegens ons. Als wij te vroeg naar insectopia afdalen, terwijl de mensen er nog zijn, dan lopen we een groot risico. Namelijk het risico tussen de klappende handen van de mensen te eindigen. Het is veel veiliger, en verstandiger te wachten tot de mensen weg zijn, en genoegen te nemen, met de kruimels die die sloddervossen achterlaten.

Toen ik jong was noemden ze me allemaal "nog luier dan een strontvlieg op een mestvaalt." En Eerlijk gezegd was ik dat ook; een kleine opdonder die te lui was om naar zijn eten te vliegen, al heb ik dat tot de dag van vandaag nooit hardop toegegeven. Ik zat veel liever op een blad, een beetje voor me uit te staren, genietend van de zon op mijn rug. Al gauw merkte ik, dat híer zitten ook zo zijn risico's heeft. Vogels hebben het op mij gemunt, en ze kunnen van alle kanten komen. Zo leerde ik mijn perifere visie te gebruiken, om naderende vogels te slim af te zijn.

"Je peri... peri... wat?" mijn achterneefje had het nooit zo op 'grote woorden'.

"Uit mijn ooghoeken kijken..."

Zo leerde ik te overleven. Mijn ooghoeken waarschuwden me voor gevaar van boven; een beetje geduld beschermde me tegen gevaar beneden.

Plotseling komt mijn achterneefje langs scheren. Hij heeft de picknick ook gezien, en heeft duidelijk besloten mijn advies in de wind te slaan. De druk van het buitenstaander zijn, is hem blijkbaar te zwaar. Ik roep hem na, in de dwaze hoop, dat hij samen met me wacht tot het veilig is. Mijn stem is te zwak. Hij hoort me niet. Angstig kijk ik hem na. Het is niet zijn eerste picknick, maar wanneer het om mensen gaat weet je maar nooit. Hij landt aanvankelijk midden op een stuk vlees, en begint er uit alle macht aan te zuigen. Veel tijd krijgt hij niet, een wapperende hand doet hem opschrikken, en wegvliegen. Hij lijkt bedwelmt door de overdaad aan lekkernij. Ver vliegen is uitgesloten. Hij landt – 'nee, niet daar!' denk ik. Nog heel even geniet hij van de nasmaak van het vlees, maar dan... Klets – nu zit hij binnenste buiten op een knie.

Verdrietig wend ik mijn blik af. De enige die me nog wel eens op zocht, zal dat nooit meer doen. Ik heb weer een reden, om geduldig te wachten tot de picknick voorbij is, genietend van de zon. Zonnebaden als overlevingsstrategie. Mijn soortgenoten noemen me laf; ik zie het nut niet van overmoedig zijn.

Ik ben een oude vlieg. Zo mogelijk wel de aller oudste die ooit bestaan heeft. In ieder geval de oudste in de omgeving hier. Niemand heeft de zon zo vaak op zien komen als ik, en kan elke zonsopgang nog herinneren. Elke keer heb ik ernaar gekeken, elke keer heb ik de schoonheid van dit wonder in me opgezogen. Vastgelegd in mijn geheugen. Maar ik vraag me nu af, wat voor zin het heeft. Overlevingsstrategieën kun je aan anderen vertellen en uitleggen, als ze luisteren willen tenminste. Beelden, echter, kan ik niet in een ander brein planten. Een ezel en een penseel zijn te zwaar voor mij, en een canvas is te groot om ooit te hopen te vullen.

Ik voel dat ik oud word. De middagzon brandt op mijn oude zwarte rug. Het zou ontspannend moeten werken, maar mijn vleugelspieren blijven strak staan.

Ah, de mensen beneden zijn vertrokken. Door mijn gepeins heb ik ze niet eens zien vertrekken. Beneden zijn nu slechts een verzameling kruimels en een stuk platgedrukt gras over. Het is tijd om de overblijfselen op te gaan halen. Het lekkerste mag dan al weg zijn, meegenomen door de mensen, of nutteloos verkwanseld door vliegen als mijn achterneefje, er is nog genoeg smakelijks over om een vliegenmaag te laten barsten. Ik maak mijn vleugel spieren los – oh wat doet dat zeer op de oude dag – en zet de afdaling in. Pas op! Een vogel van links. Uitwijken en terug naar boven. Au! Mijn oude spieren doen het ni...

MyOpera

Twitter

Facebook